A- A A+

Header PKN

Pasen, 12 april 2020 Overweging bij Johannes 20: 1-18
Ds. Aukje Westra

Ze is de eerste die ontdekt dat het graf van Jezus leeg is. Haar naam is Maria uit Magdala.
Vaak wordt deze Maria verward met anderen Maria’s uit de Bijbel, zoals de moeder van Jezus of Maria de zus van Marta. Maria uit Magdala is afkomstig uit Magdala-Taricheae, een plaats aan het meer van Galilea, in het noorden van Palestina. Dat Tariceae betekent toren van vis, er wordt daar veel vis verhandeld. Maar een viswijf is Maria zeker niet. Ze is van goede komaf, een rijke vrouw. Eén van de Evangelisten, Lucas, schrijft dat Jezus zeven kwade geesten uit haar heeft weggejaagd. Het kan zijn dat ze leed aan psychoses. Maar dat van die zeven kwade geesten kan ook anders uitgelegd worden. In die tijd, in die cultuur, dacht men dat de ziel zeven krachten bezat, zoals zien, voelen, ruiken enz. Die krachten moesten met elkaar in balans zijn. Daar zorgde de achtste, leidende kracht voor. Als je daarover beschikte, was je een evenwichtig persoon. Dat was Maria niet. Ze was een uit lood geslagen vrouw. Jezus geneest haar, brengt haar in contact met die achtste, leidende kracht. Jezus legt uit dat dit godskracht is. Sinds de ontdekking van die kracht trok Maria mee met Jezus. Ze onderhield hem en zijn leerlingen.

 

Maria speelt\de een belangrijke rol tijdens het sterven en de opstanding van Jezus. Zij was een van de vier vrouwen die bij het kruis van Jezus stonden. Maria was erbij toen Jezus begraven werd. Ze werd verteerd door verdriet. Ontzet was ze als mensen tegen haar zeiden: ‘Hij zal altijd in je herinnering voortleven’. Leven, dacht ze dan, dat is nou precies wat hij niet meer doet. Jezus is dood. Punt uit. En dan waren er nog de vriendelijke mensen die zeiden: Hij is bij God. Mooi, maar hoe moest ze zich dat voorstellen? Ze bleef bidden: ‘Kom terug, kom terug. Zonder jou red ik het niet.’ Ze zocht hem overal, maar ze was hem kwijt en ook die achtste kracht, godskracht. Angst, spanning en onzekerheid besprongen haar weer. Ze zocht hem overal en zat uren bij zijn graf. Ook ’s ochtends vroeg, want slapen kon ze toch niet.

 

En toen, die ochtend, ontdekte ze dat het graf open was. Ze werd nog banger. Dat hij dood was, was al erg, maar als zijn lichaam ook nog gestolen was, dan kon ze nergens meer heen, dan was hij nergens meer. En zij zelf ook. Ze haalde twee vrienden van Jezus erbij, maar dat hielp niet. Bange wezels waren het, ze gingen snel weer weg. Maria bleef en wilde blijven, bij het graf. Laat mij maar sterven hier, dacht ze.

 

Huilend keek ze de tuin in. De zon kwam op, gaandeweg warmde haar lichaam op. En op het moment dat ze zich koesterde in de zon en even niet treurde, was Jezus weer dichtbij. Of eigenlijk was het veel beter dan dat. Het was alsof er een slagboom opgeheven werd. Hij wás er. En toen Jezus er was, was zij er zelf ook weer. Met die achtste kracht. Ze moest het verleden loslaten, het zou nooit meer worden als toen, Jezus zou nooit meer zijn als toen. En op het moment dat ze losliet, was hij er, anders, maar hij was er.

 

Jaren later schrijft Johannes dat Maria eerst dacht dat het de tuinman was. Hij verwijst naar het Hooglied, waar een even radeloze vrouw op zoek is naar haar geliefde. Ze zoekt hem, maar vindt hem niet. Maria uit Magdala vond haar geliefde wel. Ze herkende hem aan zijn stem. Ze werd aangesproken. Haar geliefde leermeestertje, Rabboeni, gaf haar een laatste levensles: ‘Houd mij niet vast. Ik stijg op naar de Vader. Maar weet dat mijn God jouw God is.’ Weer een verwijzing naar de Hebreeuwse Bijbel. Ruth die haar schoonmoeder niet in de steek laat en zegt: ‘Ik blijf bij je, jouw God is mijn God.’ Jezus zei het omgekeerde: ‘Houd mij niet vast, laat mij gaan. Mijn God is jouw God. Je hebt mijn lijfelijke aanwezigheid niet meer nodig. Je kunt zelf leven vanuit de achtste kracht. Ik stijg op naar de Vader, maar mijn geest is voor altijd bij jullie.’ Mijn godskracht is jouw godskracht.

 

Maria is naar de leerlingen gegaan en heeft verteld wat er gebeurd was. ‘Ik heb de Heer gezien.’ De mannen wilden haar corrigeren. Niemand kan God zien, zelfs Mozes moest een doek voor zijn gezicht doen en dan nog straalde hij. Toen ze Maria nog eens goed aankeken, zagen ze hetzelfde. Ze straalde. Ze had de Heer gezien en gehoord. Hij sprak haar aan.

 

En toen? Maria ging terug naar huis. Er werd op haar gewacht. De pijn en het verdriet bleven. Maar steeds als ze zich aangesproken wist, wás Jezus er. Anders, maar wel heel levendig.

 

Het kijken naar de kleuren
brengt licht in mij teweeg:
het ruiken van de geuren
wekt dank op in mijn hart.
Het horen van de vogels,
het horen van de wind:
de toonsoort van verlangen,
waar elke weg begint.

 

Bronnen
Edwin van Kol: Het kijken naar de kleuren
C.S. Lewis, Verdriet, dood en geloof
Nick Schuman: Houd mij (niet) vast.
Jeroen Zijlstra: Over Water.