Afdrukken

 

Uffelte, zondag 1 maart 2020 Wees er!
Ds. Aukje Westra

 

Eén woord wordt dezer dagen veel gebruikt, het woord quarantaine. Vanwege het coronavirus is er nu naast gewone quarantaine ook huisquarantaine of zelfs hotelquarantaine. Mensen zitten veertien dagen in afzondering, omdat afgewacht moet worden of ze ook besmet zijn of omdat ze al ziek zijn. Het woord quarantaine komt uit het frans én het Italiaans. Het is afgeleid van het telwoord quarante, quaranta, veertig. In het Venetië in de veertiende eeuw was er een soortgelijk woord. Schepen uit verre landen werden veertig dagen geïsoleerd om verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen. Dus geen veertien, maar veertig dagen. Veertig dagen, daarmee duiden we ook de periode voor Pasen aan. We zonderen ons af, keren ons naar binnen, om met Pasen vernieuwd aan het licht te komen.

 

Voorbereiding op de Bijbellezing

 

Ooit is er een kerkdienst geweest waarin Theunis Veenstra aan u vroeg of u wel eens twijfelde. Ja zeggers mochten hun hand opsteken. Het waren er veel. Dat was een opluchting die tot nu toe voelbaar is. U heeft het er nog over, ik ben blijkbaar niet de enige die twijfelt aan God en het even allemaal niet gelooft.
Het is de noodzakelijke weg, al zoekend een relatie opbouwen met dat, met diegene die voor jou God is. God. Een moeilijk woord, ook voor Mozes. Hij heeft een hele poos niks met God, tot hij aangesproken wordt. God is de kracht die ons mens maakt.

 

Lezen uit de Bijbel Exodus 2: 23-25, Exodus 3: 1-11

 

Overweging
Een collega was docent levensbeschouwing aan de Hogeschool Zeeland. Hij verzorg de ook studiedagen voor personeel van openbare basisscholen. Steevast begon hij de eerste dag met de confronterende vraag: ‘Geloof je in God?’. Hij nodigde de deelnemers uit om hun antwoord uit te drukken in een positie in het lokaal. De nee-zeggers mochten plaatsnemen in de ene hoek, de ja-zeggers in de hoek diagonaal daartegenover. Wie twijfelde kon ergens tussenin zijn plaats kiezen, al naar gelang zijn overtuiging of beleving. Wie het een onbehoorlijke vraag vond of zich er geen raad mee wist mocht blijven zitten. Gemiddeld bleven twee à drie van de twintig deelnemers zitten. Ook twee of drie gingen in de hoek ‘atheïst’ staan. En er waren ook twee of drie ja-zeggers. De rest stond ergens tussenin. Op studiedagen van het christelijk onderwijs zou de uitkomst min of meer hetzelfde zijn.

 

Als mensen uit de grote middengroep gevraagd werd waarom ze daar stonden, zeiden ze dingen als: Ik weet het niet, niet ja en niet nee. Ik geloof wel dat er iets is. Het hangt er vanaf wát je onder geloven en onder God verstaat. God is voor mij mijn hogere zelf – geldt dat ook als geloven. Ik wil geen stellig antwoord, ik wil blijven zoeken. Ik heb soms wel een bijzonder gevoel, maar is dat geloven? Ik geloof niet, geloof ik, maar vreemd genoeg bid ik af en toe wel. Uit de gesprekken die de docent naar aanleiding van deze studiedagen voerde kwam één constante naar voren: in ieder mens schuilt een verlangen. Het verlangen om de volledige werkelijkheid te ondergaan. We willen leven, met huid en haar.

 

Een enquêtevraag naar het geloof in God kan ons op het verkeerde spoor zetten. Want wie of wat is God? Het woord God is niet populair meer. Het roept beelden op waarin we ons niet herkennen. Oude man op wolk, iemand die alles op aarde regelt, blinde gehoorzaamheid eist. Als ik een enquêtevraag naar God zou mogen stellen, dan zou die luiden: Geloof je in leven? Geloof je in de liefde? En het positieve antwoord zou niet ‘Ja’ zijn, maar: ‘Hier ben ik!’ ‘Kom maar op met dat leven.’ God gaat over mens-zijn.

 

Mozes is een bijzonder mens. Opgegroeid als Hebreeër, opgevoed als Egyptenaar. Als in een sprookje wordt hij geadopteerd door een prinses. Hij maakt zijn eigen toekomst onmogelijk als hij een Egyptenaar doodslaat. Mozes handelde in een impuls, hij kon niet aanzien hoe één van zijn volksgenoten door de Egyptenaar mishandeld wordt. Dat heet dan dat iemand een sterk gevoel voor rechtvaardigheid heeft. Je zou het ook licht ontvlambaar kunnen noemen. Mozes vlucht naar het buitenland. Bij een put vindt hij water en rust. Dan komen er zeven zussen naar de bron. Ze willen de schapen te drinken geven, maar een stel kerels jaagt hen weg. Het verhaal is zo oud als de wereld. En iedere keer is het weer raak: bonje bij de bronnen van moeder aarde. De zussen hebben niemand die hen in bescherming neemt. Zelf een assertiviteitscursus volgen, zat er nog niet in. Maar Mozes is als een broer voor hen, hij komt op voor de zussen en jaagt de herders weg.

 

Zo komt Mozes in de familie terecht en vindt één van de zeven zussen haar man. Mozes en Zippora krijgen een relatie. Zippora betekent vogeltje, zo’n schepseltje dat de verbinding legt tussen hemel en aarde. Het meisje van de bron wordt voor Mozes een bron van leven. Mozes wordt schaapherder. Hij zeult rond met de beesten en is moederziel alleen. ’s Nachts is het ijskoud, overdag bloedheet. Eenzaam, verloren voelt hij zich. De hemel is leeg, de sterren zijn koud en de rotsen keiharde struikelblokken. Mozes is in quarantaine. Maar de eindeloze stilte verandert hem, zuivert hem uit. En vlak de invloed van Zippora niet uit, hoe vaak ze wel niet met Mozes gepraat heeft over zijn schuldgevoelens, zijn onzekerheid. Gaandeweg ontdekt hij diepere lagen in zichzelf, van verdriet en van verbondenheid. Hij verandert van licht ontvlambaar in een zachtaardig mens. Zo wordt hij later getypeerd. De scherpe kantjes zijn eraf. Hij leert geduld te hebben, met anderen en met zichzelf. De hemel wordt een oneindige ruimte, sterren wijzen hem de weg en uit rotsen stroomt fris, helder water.

 

Maar er is meer. Mozes mag dan zachtaardig geworden zijn, er blijft iets aan hem knagen. Hij leidt een beschermd, veilig bestaan. Hij verdient zijn geld, krijgt iedere dag te eten en heeft een fijn gezin. Maar hij vraagt zich af: Is dit alles? Moet ik mijn temperament en talent voorgoed begraven in het zand? Het voelt alsof hij nog niet écht leeft, zich nog niet écht gegeven heeft. Mozes mag dan in de woestijn gelouterd zijn, hij blijft onrustig. En in gedachten hoort hij het geschreeuw van zijn volksgenoten. Hij ziet hun uitgemergelde lichamen voor zich. Machteloos dwaalt hij door de woestijn. Maar daar, achterin in de woestijn, blijkt de berg van God te liggen. Het is de plaats waar God hem roept. Of, anders gezegd, het leven roept hem. En, na zeer veel aarzelingen antwoordt hij: Hier ben ik!

 

Bij de berg van God stuit Mozes op een boodschapper en op een boodschap van God. De schapen zien niets bijzonders, Mozes ziet een doornstruik in lichterlaaie staan. Het vuur dat hem verteerde en zelfs tot een moord heeft geleid, heeft zijn verwoestende werking verloren. Mozes kent zijn plek inmiddels, hij is geen godenzoon, maar een gewone struik met stekels. Maar wel eentje die in lichterlaaie staat. Het leven trekt aan hem, verovert hem. Mozes ervaart God, als vuur, als liefde, als leven. Hij zelf voedt het vuur niet totdat hij er opgebrand, burn-out van raakt. Het vuur in hem wordt gevoed. Dat is God. Mozes wordt uit quarantaine bevrijdt, uit zijn gevangenis van eenzaamheid. Nu kan hij andere mensen voorgaan op de weg van bevrijding. In gedachten hoort hij het geschreeuw van zijn volksgenoten in Egypte, hij ziet hun uitgemergelde lijven voor zich. Dan vervalt hij nog één keer in zijn oude patroon. ‘Wie ben ik?’ Of, anders gezegd, ‘Wat zullen de mensen wel niet van mij denken?’ Dan maakt God zich voluit bekend: ‘JHWH’. Meestal vertaald als ‘Hij die is’ of ‘Ik zal bij je zijn’.

 

Maar de naam van God is stormachtiger dan dat. Dat is vertalers duidelijk geworden toen ze naar de Arabische herkomst van het woord keken. De stam, HWJ, betekent vurig naar iets verlangen, gepassioneerd zijn, waaien, blazen. God is als een storm die opsteekt. De oorspronkelijke goden waren plaatsgebonden, je had de boomgod, de rotsgod. In deze god zit beweging, hij trekt met herders mee als ze naar andere weidegronden zoeken. En deze god heeft iets rebels. Hij waait bij ons naar binnen en wij komen in beweging.

 

Daarom zegt Kees Waaijman: God is volop aanwezig en is de oproep: Wees er! Wees jij ook volop aanwezig! Wees er, voor jezelf en anderen. Geen God die ons in de watten legt, zo van: ‘Wat er ook gebeurt, ik zal je je uit de wind houden.’ Dit is een God die ons in weer en wind sterk maakt. Het leven daagt ons uit, wil dat we voorbij reiken aan wie we zijn. Als ik God zeg, zeg ik hoe ik mens wil zijn. En het positieve antwoord is: ‘Hier ben ik!’ God is de kracht die ons mens maakt.

 

Vrijdag 21 februari, was de rapper Typhoon in ‘De Wereld draait door’. Leuke naam in verband met dit Bijbelverhaal: Typhoon, wervelstorm. Glenn de Randamie groeide op in t’ Harde. Hij werd rapper en zanger, speelde in een Zwolse band en brak in 2014 door met zijn album Lobi Da Basi, Surinaams voor Liefde is de baas. Alleen niet in zijn eigen leven. Hij werkte keihard, op het podium genoot hij van zijn muziek, maar achter de schermen voelde hij zich leeg. Hij had altijd het gevoel dat hij niet helemaal thuis was op aarde, altijd een beetje onveilig. Altijd een beetje hang naar ‘Het hoeft voor mij niet meer’, terwijl hij toch ook zo kon genieten. Hij raakte burn-out. In Zwitserland, wandelend met twee vrienden, bereikte hij een dieptepunt. Het werd helemaal stil en ijzig om hem heen, zwart en donker. Hij schrok ervan en dacht ‘God, SOS’. Toen hoorde hij daadwerkelijk een stem. Hij herkende die als de stem van God, hij had het zelf niet kunnen verzinnen. In de Wereld draait door zegt hij: De stem zei dat ik goed was zoals ik was. Dat ik volledig was. Sindsdien durft hij het woord God te gebruiken. Of, zegt Typhoon, noem Hem of Haar Liefde. Maar het gaat altijd over openen, de controle loslaten. Het openen van mijn hart, dat was echt een keuze. Ik had het altijd buiten me gezocht, terwijl het in me zat. 100%. Loslaten en vertrouwen, dat is zo wezenlijk. Hij kan weer volop muziek maken en weet nu: Het is niet wat ik doe, maar wie ik ben.

 

Typhoon hoorde een stem die hem hielp zich te openen. Meestal gaat het niet zo abrupt en komt de liefde op kousenvoeten. Gaandeweg worden we geopend. Gaandeweg leren we leven. God is de kracht die ons mens maakt.

 

Tenslotte nog een verwijzing naar het begin van mijn verhaal. Stel iemand vraagt: Gelooft u in God? Laat u dan niet de hoek insturen, van ja of van nee, maar ga middenin staan, midden in het leven. Spreid de armen en zeg: ‘Ja, soms stormt het flink, maar hier ben ik.’

 

HINENI
Ik hie in God
dy't my sa oanseach
dat er my treaste,
dy't my sa treaste
dat er my besiele,
dy't my sa besiele
dat er my wiermakke -
dy't my sa wiermakke
dat er, as ik 'hjir bin ik' sis       ,
der is.
Harmen Wind
HINENI
Ik had een God
die mij zo aankeek
dat hij mij troostte,
die mij zo troostte
dat hij mij bezielde,
die mij zo bezielde
dat hij mij waarmaakte –
die mij zo waarmaakte,
dat hij, als ik ‘hier ben ik’ zeg,
er is.

 

Bronnen
Nico ter Linden: Het verhaal gaat
Wim Jansen: Of ik in God geloof? Heb je even?
https://www.nieuwwij.nl/opinie/god-geloof-even/
Kees Waaijman, De Psalmen.
https://wapenveldonline.nl/artikel/903/geheimvolle-aanwezigheid-in-de-werkelijkheid/
Typhoon in De Wereld Draait Door.

https://www.bnnvara.nl/dewerelddraaitdoor/videos/538356
Trouw, donderdag 27 februari 2020, Ton den Boon: Quarantaine heeft in essentie zijn naam te danken aan de duur van de vastenperiode.