A- A A+

Header PKN

 

Liturgie Clemenskerk Havelte
Zondag 20 oktober 2019 Ds. Aukje Westra

 

Vrijheid veroveren

 

Welkom en mededelingen

 

We gaan staan

Stil gebed, drempelgebed

 

Zingen Lied 210: 1, 2 God van hemel, zee en aarde

 

Het koor zingt Aeterna fac (het middendeel)
uit het “Te Deum in D” van Michael Haydn (1737 – 1806) 

 

Gebed om ontferming, afgesloten met het zingen van
Lied 695: 1, 2, 4 Heer, raak mij aan met uw adem

Het koor zingt Laudate dominum uit de vespers van Michael Haydn

 

Voorbereiding op de Bijbellezingen
Hebt u vrij vandaag?
Bent u vrij?
De vrijheid hebben … betekent keuze hebben. U kunt op een vrije vrijelijk kiezen wat u wilt gaan doen. Vrij zijn is iets anders. Ben je vrij om te doen wat je werkelijk wilt? Bijvoorbeeld: de buren vragen voor de zoveelste keer of je op hun kat wilt passen. Bent u vrij om nee te zeggen? Vrij zijn betekent geen slaaf zijn van oude neigingen in jezelf, bijvoorbeeld altijd ja zeggen. Toegewijd zijn aan wat je werkelijk wilt.

 

Over de muziek:
Concurrentie is van alle tijden. Ook de componist Georg Friedrich Händel moest zich bewijzen op de markt van de muziek. Händel had zich in het begin van de achttiende eeuw een uitstekende positie verworven in Engeland. Hij schreef historische opera’s en was populair. Tot het publiek zich begon te vervelen. De concertbezoekers kozen voor opera’s over het gewone leven met gemakkelijke melodieën. Händel moest zichzelf opnieuw uitvinden en begon met het componeren van oratoria, muziekstukken over Bijbelverhalen. Jammer genoeg raakte hij geestelijk en lichamelijk in de put. Zelfs zodanig dat velen twijfelden of hij ooit nog iets zou componeren. Handel reisde daarom naar het kuuroord Aken, zat urenlang in bad en verbaasde het kurende publiek met zijn orgelspel.

 

In 1738 schreef hij in één maand tijd het oratorium Israël in Egypte. Het volk Israël wordt in Egypte onderdrukt door de farao. Mozes komt op voor het volk en leidt hen weg uit de slavernij. Maar het publiek was nog niet overtuigd. Men vond het eerste deel, een koraal van een half uur, veel te lang. Händel herschreef het oratorium fluks en voegde stukken in Italiaanse stijl toe. Händels roem was voorgoed gevestigd.

 

Wij horen over de eerste van tien plagen waar Egypte mee geconfronteerd wordt. En van de machtige uittocht van Israël uit Egypte. Met hulp van God veroveren ze de vrijheid.

 

Bijbellezingen

 

Exodus 7: 19-23 De eerste van de tien plagen

 

Zingen Lied 168: 1, 2, 3 Go down, Moses

Voorzang rechts, allen links

 

Exodus 14: 19-29 De uittocht

 

Het koor zingt uit Israel in Egypt But for his people van Georg Friedrich Händel (1685-1759)

 

Overweging

Je moet wat om de vrijheid te veroveren. De God van Israël haalt alles uit de kast. Tien plagen worden er losgelaten op de Egyptenaren. De tien plagen zijn het equivalent van de tien geboden. Op hoog niveau wordt er gestreden, wie is de ware bevrijder, JHWH of de farao, zoon van zonnegod Ra en daarmee ook heer over de schepping. De godenwereld van Egypte wordt aangepakt. De goden en goddelijke symbolen verworden zelfs tot plagen. Ze veranderen in hun tegendeel. Dat is vanaf de eerste plaag zichtbaar Egyptenaren zwommen in de Nijl en aanbaden zo de godin van de Nijl. Dat kan niet meer als de godin als het ware ongesteld wordt en alle water in bloed veranderd. Maar wat zou je je van een plaag aantrekken als tovenaars hetzelfde kunnen?

 

Gaandeweg neemt de druk toe. Vanaf de derde plaag laten de tovenaars het afweten, bij de vierde plaag gaat de farao onderhandelen. En zo gaat het maar door. Met de negende plaag slaat de duisternis toe. De zonnegod Ra wordt verslagen en daarmee de levensbron van de farao zelf. De tiende plaag is gericht tegen farao zelf. Alle eerstgeborenen worden gedood. Laat hij nu zelf eerstgeborene zijn, de zoon van de zonnegod zelf. Het volk Israël wordt gespaard. De farao kan niet anders dan het volk laten gaan.

 

Aldus geschiedt. Midden in de nacht vlucht het volk in grote haast weg, ze hebben zelfs geen tijd om brood te laten rijzen. God is overduidelijk op hun hand. De Egyptenaren die hen achtervolgen tasten in het duister rond, aan de kant van het volk Israël is het licht dankzij een kolom van vuur. Zelfs het water wijkt voor hen. Ze gaan, recht door zee. Zo redt de Eeuwige het volk Israël, Hij brengt hen vrijheid.

 

Nee, in werkelijkheid is het niet zo gegaan. Waarschijnlijker zijn kleine groepen Hebreeuwers weggetrokken uit Egypte. Langzamerhand werden er stammen in Palestina stammen gevormd en zo ontstond er een volk. Een volk dat eeuwen later weer te maken kreeg met onvrijheid, toen het gedeporteerd was naar Babel. Toen werd dit verhaal opgeschreven. Het gaat niet alleen over strijd tegen een bepaald volk, de Egyptenaren. Het gaat om de slag die zij zelf elke dag leverden tegen angst en slavernij. Niet alleen met de Babyloniërs, maar ook in henzelf. Het verhaal van de Uittocht gaat niet over de vrijheid hebben, maar over vrij zijn.

 

In Nederland hebben wij de vrijheid om te kiezen. We mogen stemmen op de partij die we willen. We mogen, binnen redelijke grenzen, zeggen wat we willen. Vrijheid is openheid, keuzemogelijkheden hebben. We kunnen kopen wat we willen, we hebben de vrijheid. Maar er is nog een tweede soort vrijheid, die heeft niet te maken met kiezen uit verschillende mogelijkheden, maar met toewijding. Niet de vrijheid hebben, maar vrij zijn. Zijn wij vrij om te doen wat we werkelijk willen?

 

Stel, we worstelen met de hardnekkige gewoonte om te hard te werken, te lang door te gaan. Dat gaat ten koste van onszelf, maar ook ten koste van de mensen om ons heen. Diep in ons hart weten we wat we willen, er zijn voor onze partner, voor onze vrienden. Maar we zijn niet vrij om het ook te doen. We trappen steeds weer in dezelfde val, we putten onszelf uit en maken anderen ongelukkig. We zijn niet vrij om te doen wat we werkelijk willen. En dan moet er oorlog gevoerd worden, in onszelf. Tegen de afgoden die ons afhouden van wat we werkelijk willen. De afgod van van alles altijd aan kant willen hebben. Kijk, die goden hebben ons ooit prima geholpen, we hebben geleerd om door te zetten. Maar de god van alles aan kant willen hebben, keert zich tegen ons, want wat is goed genoeg? De God verandert in een plaag, we raken oververmoeid. Of neem de god van ‘Ik sta er alleen voor’. Deze God heeft ervoor gezorgd dat we zelfstandig werden, maar kan op den duur veranderen in de plaag van eenzaamheid.

 

Hierover gaat het gevecht van de God van Israël tegen de goden van Egypte, over de strijd tussen machtige krachten in en om ons heen. Zijn we vrij om te doen wat we echt willen: Goed zijn voor anderen, goed zijn voor onszelf. Het is een keihard gevecht tussen de slavenneigingen in ons en kracht van liefde en vrijheid. Daarom wordt de tegenstelling van de goden van Egypte, van de slavernij en de God van liefde en vrijheid ook uitvergroot. Het is een ware battle, wie gaat er winnen? Aan wie zijn we werkelijk toegewijd? Vrij zijn moet stap voor stap veroverd worden.

 

We winnen door te gaan beseffen dat deze goden tot een plaag worden. Als jij zo goed weet hoe alles moet, luistert niemand meer naar je. Als jij je keer op keer hulpeloos opstelt, word je moe van jezelf en anderen ook. De afgod bestrijden is ervaren tot wat voor plaag hij is verworden. En er iets tegenoverstellen. Geloven in wat je werkelijk wilt. Daar staat de God van Israël voor: wat je werkelijk wilt is liefde en saamhorigheid.

 

En, zegt de Bijbel, die God is onverslaanbaar. Door alles heen blijft Hij zich melden. Hij helpt ons om onze vrijheid te veroveren. Met een beeld uit het verhaal: Aan de kant van de slavernij is duisternis, aan de kant van het volk Israël is licht. Volg het spoor van het licht. Kijk waar God gloort. Doe de Uittocht. Aan zijn liefde valt niet te ontkomen. Dan gaat het in je hart zingen en ga je echt geloven in liefde waar niet aan te ontkomen valt. “En ze geloofden de Heer en zijn dienaar Mozes.” Ze veroverden de vrijheid en jubelden het uit. Amen.

 

Het koor zingt uit Israel in Egypt And he believed van Georg Friedrich Händel

 

Voorbeden, stil gebed

 

Wij bidden U, God, dat het waar mag zijn dat U ons bezielt.
Dat het mogelijk is om toegewijd te zijn aan dat wat wij het allerliefste willen,
elkaar recht in de ogen kijken en dan knipogen.
De tong uitsteken naar de ander en het daarna bezegelen met een zoen.

 

Wij bidden U God, sta ons bij in de uittocht die wij dagelijks ondernemen.
Van de gestrekte middelvinger naar de duim omhoog.
Van somber voor onszelf mompelen naar uit volle borst meezingen.

 

Wij bidden U God, help ons in U te geloven,
U laat het toch niet afweten, U trekt aan ons,
Uw liefde is even onontkoombaar als de zwaartekracht.
Altijd weer snuiven wij de geur van de vrijheid op.
Help ons het spoor van licht volgen. Verover ons hart, God.

 

Zo bidden en luisteren wij ……

 

Het koor zingt Ave verum corpus van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

 

Collecte

 

We gaan staan
Zingen Lied 969: 1, 2, 4 In Christus is noch west noch oost

Zegen, afgesloten met het zingen van AMEN.