A- A A+

Header PKN

Zondag 16 december 2018 met ds. Aukje Westra

 

Over timing en over vruchtbaarheid, tot bloei komen, gaat het vanmorgen in de Bijbellezing. We lezen een verhaal over oermoeder Sara en oervader Abraham. Ze zijn oud en hebben nog steeds geen kinderen. God heeft hem een kinderrijke toekomst beloofd, maar het duurt Abraham te lang. Abraham deelt het bed met Hagar, de slavin en ze krijgt een kind. Voor de zekerheid, dacht Abraham, want met Sara wordt het toch niets. Gods timing is niet de zijne. Maar dan gebeurt er dit.

 

Bijbellezingen Genesis 18: 1-15

 

Overweging
Het verhaal van Abraham en Sara begint met een schets van het landschap. Ze hebben hun nomadentent opgeslagen in de woestijn. Het is een enorme, zanderige vlakte. Maar op de zanderige vlakte staan een paar grote loofbomen. Ze blijven altijd groen. Ondanks de droogte en de hitte groeien deze bomen hier. Met hun laaghangende takken bieden ze beschutting aan voorbijtrekkende bedoeïenen. De bomen worden godseiken genoemd. Bij zo’n boom laat God zich aan Abraham zien. Op het heetst van de dag zit hij voor zijn tent, de zon schijnt hard en onverbiddelijk. God laat zich zien en Abraham ziet, staat er. In het verblindende licht van de zon herkent Abraham het verblindende aangezicht van God. Het duizelt hem. Hij sluit zijn ogen een poosje. Als hij ze weer opendoet, ziet hij in de verte drie mannen. Abraham en Sara krijgen bezoek van drie vreemdelingen. Ze zijn afkomstig uit een andere wereld. En ze brengen een bericht uit een andere wereld.


Wat opvalt in het verhaal is dat het de ene keer gaat het over drie mannen en dan weer over één man. En die ene man wordt ‘mijn Heer’, God genoemd. Er komen drie mannen aan en Abraham vraagt één man of hij zijn voeten wil wassen. Drie mannen vragen waar Sara is. Eén man belooft dat Sara een zoon zal krijgen. In het gesprek met de drie mannen is de Ene aanwezig. In wat zij met z’n drieën zeggen en doen is God herkenbaar.

 

Het lijkt een test: Zijn Abraham en Sara gastvrij? Staan ze open voor de gasten en hun boodschap? Wat dat eerste betreft: Abraham en Sara doen ongelofelijk hun best om het de gasten naar de zin te maken. Abraham rent heen en weer en geeft opdrachten. Brood, gebraden kalfsvlees, boter en melk worden aan de gasten voorgezet. Sara staat in de tentopening en kijkt toe hoe de mannen onder de boom zitten te eten. Na de gebruikelijke koetjes en kalfjes wordt er onder de boom een serieuze vraag gesteld. De mannen vragen Abraham: ‘Waar is Sara, je vrouw?’ Abraham wijst: ‘Daar staat ze, in de tentopening.’ Het is een vreemde vraag, de mannen konden het zelf ook wel zien of raden. Dit is geen vraag naar waar Sara op dat moment echt is, in of achter de tent. Het is een vraag naar waar ze staat in haar leven. Dwaalt ze over een dorre vlakte of groeit ze als een groene Godseik? Nadat Abraham naar Sara gewezen heeft, wordt hen samen een kind beloofd. Binnen één levensjaar zal Sara een kind krijgen. Het is een raar idee, want Abraham en Sara zijn beide oud. Ze zijn aan het eind van hun leven gekomen. Hun toekomst is duidelijk, hen wacht de dood.

 

Maar de Ene, boodschapper uit een vreemde wereld, kondigt nieuw leven aan. Sara hoort het en kan het maar moeilijk geloven. Ze lacht in zichzelf en zegt: ‘Ik ben zo goed als versleten, verwacht je dan nog wellust van mij?’ Bovendien, voegt ze eraan toe, Abraham is ook de jongste niet meer. Van spetterende potentie moeten ze het niet meer hebben. En dan toch vruchtbaar zijn? Sara lacht net zoals Abraham eerder lachte toen hij de belofte kreeg dat hij veel kinderen en kleinkinderen zou krijgen. En nu is het Sara die twijfelt, lacht en bloost. Ze was de dorre vlakte, maar nu voelt ze zich voor even weer een groen blaadje. Het zal toch niet …. En hoe dan? Jarenlang deed ze alsof het haar onverschillig liet dat ze geen kinderen kon krijgen. Jarenlang heeft ze zich gewapend tegen de venijnige opmerkingen uit haar omgeving. Want als onvruchtbare vrouw stelde ze niets voor. Ze had zich erbij neergelegd. Ze geloofde er niet meer in. En nu, dan toch, en hoe? Er borrelt een lach in haar omhoog, ze giebelt, zoals jonge meiden kunnen giebelen. Het Hebreeuwse woord voor lachen is jtsk, met dat ze lacht, noemt ze het toekomstige kind al bij zijn naam.

 

De vreemdeling heeft gemerkt dat Sara lacht. Via Abraham vraagt hij: Waarom lacht Sara? Met andere woorden: Waarom zegt Sara jtsk? Sara ontkent geschrokken: ‘Ik lachte niet, ik zei niet jtsk’ Ze schaamt zich voor haar meisjesachtigheid, voor de hoop die in haar groeide. Hoe dom kun je zijn, vrouw op leeftijd. Maar de vreemdeling, de Ene, verwijt haar niets en constateert alleen: ‘Ja, je hebt wel gelachen, ik hoorde je jtsk zeggen.’ In de dorre vlakte, op het heetst van de dag, hebben Abraham en Sara worden Abraham en Sara weer als jonge geliefden, met wellust en al. Wat zullen de buren er wel niet van gezegd hebben? Maar zij staan niet langer met één been al in het graf, maar met twee benen bij een wieg. Over een jaar zal Sara niet zachtjes giebelen, maar hardop en onbekommerd schateren. Als ze een zoon krijgt die jtsk, Isaäk, genoemd gaat worden. Dat betekent: hij die lacht.

 

Uit dit verhaal blijkt hoe belangrijk kinderen waren in het Midden-Oosten. Kinderen krijgen betekende toekomst hebben. Maar het gaat over veel meer dan kinderen krijgen alleen. Dit is een verhaal over timing en over vruchtbaarheid, over van betekenis zijn. Soms duurt het een poos voordat je tot bloei komt. Soms moet je daarbij ingaan tegen wat de omgeving van jou denkt en zegt. Een voorbeeld is Daan Roosegaarde. Hij is 39 jaar en technicus en kunstenaar. Hij heeft de lichtwerken van de Afsluitdijk gemaakt. Strips op de sluizen die oplichten als auto’s erlangs rijden. Hij was zo’n onhandelbare puber van zestien. Hij moest een opleiding kiezen, maar er was geen school die bij hem paste. Hij wilde van alles, iets doen met kunst, reizen, met technologie en ook met ondernemen. Maar dat kon en mocht hij niet. Twee weken lang waren decanen en psychologen met hem aan de slag. Beroepskeuzetest na beroepskeuzetest. Na afloop was de conclusie: ‘Daan, wat jij wilt, bestaat niet.’ Daan was zestien en de wereld zei ‘nee’.

 

Het is net als bij Sara, ook zij kreeg de boodschap: ‘Wat jij wilt, dat kan niet. Vergeet het maar, vruchtbaar zijn, tot bloei komen. De wereld zei ‘nee.’ Het duurt jaren voordat er iets in jaar situatie verandert. Op een dag komt God langs, in de vorm van drie vreemdelingen. Bij ons bijvoorbeeld in de vorm van een werkgever die zegt dat zij wat in jou ziet en die je stimuleert. Of als een gedachte die bij je opkomt en je niet meer loslaat. Het moet iets zijn waar je het warm van krijgt, net als Sara. Iets waar je warm voor loopt. Daan Roosegaarde besloot zelf aan zijn toekomst te bouwen. Dikke doei! Gewoon doen. Hij ging naar de Academie voor Industrie en Kunst in Enschede. Hij zette zijn eigen projecten op.

 

Daan Roosegaarde vertelt hoe timing werkt en uitwerkt. Hij zegt: ‘Het begint met een idee. Dat is als een smaak in de mond waarvan je de ingrediënten nog niet kent. Ik moet me eraan overgeven, er een soort vrijwillige gevangene van zijn. Je moet er dienstbaar aan zijn.’ Ik verwijs weer naar Abraham en Sara. Een idee dat in je opkomt is als een vreemdeling die aan komt waaien. Plotseling staat hij of zij voor je. Ineens valt je iets te binnen. Dan is het wel zaak om die vreemdeling gastvrij te ontvangen, zoals Abraham doet. Het plan dat in jou opkwam moet je serieus nemen. Je moet erin geloven, je moet er dienstbaar aan zijn. Als jou een goed idee invalt, dan is dat een geschenk dat van gene zijde. Als iemand jou op waarde schat, dan is hij of zij een boodschapper van God. Het is God die je roept: tijd om te bloeien. Zorg ervoor dat je goed naar de persoon luistert. Zorg dat je het idee gastvrij onthaalt.

 

Daan Roosegaarde voegt eraan toe: ‘Het is niet: Daan heeft een idee en dan krijg ik een briefje van God. Het is veel interactiever. Je moet alles op alles zetten om er wat van te maken. Om verder te komen, heb je anderen nodig.’ Het is net als bij kinderen krijgen. Je kunt er wel in je entje van dromen, maar de uitvoering doe je toch echt mijn zijn tweeën. Voor wellust heb je twee mensen nodig. Of, zoals Daan zegt: ‘Je kunt jezelf niet kietelen. Maar als ik jou probeer te kietelen, werkt het wel.’ Daarin zit de essentie van vruchtbaarheid, van nieuw leven. Je moet elkaar kietelen. Jij stimuleert anderen, anderen stimuleren jou. Want wat denkt u dat er gebeurd is, nadat de drie vreemdelingen vertrokken waren? Nadat God Abraham en Sara toekomstperspectief had gegeven? Abraham liep naar Sara toe, ze keken elkaar aan en giebelden samen. Ze kietelden elkaar en ja, van het één kwam het ander…. Het leven lachte hen toe.

 

Bronnen
J. van Baardwijk, Postille
Trouw.nl/De levenslessen van Daan Roosegaarde