A- A A+

Header PKN

Zondag 14 oktober 2018 met ds. Aukje Westra

Marcus 10: 17-31 Doen en laten

 

Jezus is onderweg. Hij heeft al vertraging opgelopen door discussies met Bijbelgeleerden. Hij wil verdergaan als er iemand naar hem toegerend komt. De man valt op de knieën en vraagt Jezus: ‘Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ Eeuwig leven, dat wil zeggen, leven dat eeuwigheidswaarde heeft. Dit gaat niet over een hemel daar en straks, maar over kwaliteit van leven hier en nu. Wat moet ik doen, vraagt de man? Jezus citeert de tweede helft van de tien geboden. Houd je aan de wet, wees goed voor de mensen om je heen. ‘Maar dat doe ik al’ is de reactie. Hiermee zou het gesprek afgelopen kunnen zijn, maar Jezus kijkt hem aan en gaat van hem houden. Alsof Jezus nu pas bewust de man ziet staan, alsof hij hem nu pas doorziet. De man is oprecht, hij heeft zo zijn best gedaan en tóch lukt het hem niet om vrij en onbelast te leven. Jezus doorziet hem met liefde en zegt: ‘Eén ding ontbreekt er nog aan. Je moet naar huis gaan en alles wat je hebt verkopen. Geef je geld weg aan de armen en dan zul je ontdekken wat leven is.’ Doe niet meer, maar minder. Niet doen, maar laten.

 

In dit verhaal gaat het niet om een nieuwe norm over hoeveel wij mogen bezitten. U hoeft straks niet door uw huis te rennen en spullen naar de Kringloop te brengen. Tenzij het u ruimte geeft natuurlijk. Want daar gaat het om in dit verhaal: als we kwaliteit van leven willen, moeten we ruimte maken. Het gaat niet alleen om onze financiële positie. De vraag is wat ons blokkeert, wat ons afhoudt van echt leven en samenleven. Waar zitten we aan vast, wat blokkeert ons, waardoor lijden wij schade aan ons ziel, waardoor we onszelf en anderen te kort doen.

 

In onze samenleving zou dat druk tekunnen zijn. Een columnist schrijft hierover. ‘Sommige dingen leer ik nooit’, zegt hij. Het voorjaar was enorm druk voor hem. Daarom besloot hij in de vakantie dat het roer om moest. Dat besluit neemt hij iedere zomer. En zoals elk jaar is hij halverwege oktober weer buiten adem. Het is nog drukker dan voorheen en het einde is nog niet in zicht.

 

Druk zijn is lekker, we zijn er trots op. Het is fijn om nodig te zijn. ‘Ik ben druk, dus ik besta.’ Maar te grote drukte lijdt tot schade, denk aan mensen die burn-out raken. En er is andere, verborgen schade. Je vergeet waar je allemaal ook alweer mee bezig bent geweest. Er is een maalstroom van klussen die gedaan moeten worden en wij lossen daar als het ware in op. Je doet wat je moet doen, maar echt creatief ben je niet meer. Want voor kwaliteit heb je tijd nodig en energie en concentratie.

 

In lange perioden van grote drukte bouwen we een grijs verleden op. Er is veel gebeurd, maar wat precies dat weten we niet meer. Het verleden wordt grijs. Maar het allerergste van drukte is dat de toekomst ook grijs kan worden. Je schuift grote vragen voor je uit, het contact met je kinderen en je partner verkommert. De toekomst vergrijsd. ‘Ik besef dat geluk, dat kwaliteit van leven, een breekbaar iets is’, schrijft de columnist, ‘maar sommige dingen leer ik nooit’.

 

Zijn constatering roept droefheid of zelfs moedeloosheid op. De columnist ziet wat het probleem is, maar het lukt hem niet om te veranderen. Het vergaat de rijke man net zo. Dankzij Jezus heeft hij de kern van zijn probleem te pakken, hij heeft te veel en ìs te weinig. Hij hoeft niet nog meer doen, maar mag meer laten. Maar het advies van Jezus opvolgen, dat lukt hem niet. Jezus wordt er bedroefd van, want de man heeft zijn hart gestolen. Met dezelfde warmte kijkt Jezus nu naar de kring van vrienden en vriendinnen om hem heen. ‘Kinderen, zo moeilijk is het om iets te laten, om dingen af te leggen. Het is makkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ U weet: In Jezus’ tijd hadden de stadsmuren poorten. De handelaren met hun kamelen gingen overdag door de grote poort. Na zonsondergang werden die grote poorten gesloten. De gewone reiziger kon dan nog door een kleine poort glippen, de naald genoemd. Maar het was onmogelijk voor een groot beest als een kameel om via dat poortje de stad binnen te komen. Zelfs al legde die alle bagage af.

 

De leerlingen raken nog meer van hun stuk, ze zijn verbijsterd. Als het zo’n toegewijde man het al niet lukt om te leven, hoe zouden zij dat dan wel kunnen? Hen staat nog veel meer in de weg. Petrus voelt zich aangesproken en verdedigt zichzelf: ‘Maar we hebben toch alles achter ons gelaten, de visnetten, ons gezin.’ Loslaten betekent echter niet in de steek laten, maar meer iets als uit handen geven, je losmaken van. Een poos afstand nemen van je familie. Op je handen gaan zitten als je de neiging hebt om weer de koffiekopjes af te ruimen. ’s Avonds niet meer op de mail kijken. Het is moeilijk om oude gewoonten te doorbreken. Als je dingen laat, word je eerst geconfronteerd met onrust en leegte. Pas na verloop van tijd wordt die leegte ruimte.

 

Helaas, het lukt de rijke man dus niet en de leerlingen zakt de moed in de schoenen. Jezus besluit het gesprek daarom met een bijzondere opmerking: ‘Wat bij mensen onmogelijk is, is bij God mogelijk.’ Ik vertaal die uitspraak zo: Als het jou niet lukt om te veranderen, om meer te laten, vertrouw er dan op dat God met jou aan het werk blijft. Je hoeft de kameel niet door het poortje te duwen. Doen en laten, dat geldt ook voor werken aan jezelf. Verandering heeft tijd nodig, een kameel gaat langzaam door de knieën. God gelooft dat er van alles mogelijk is. Nu wij zelf nog. Dat geloof van God in ons, dat kan alleen maar liefde zijn.

 

Bronnen
Marjan Van Hal, Wat heb ik nodig, Kind op Zondag, nr 1 jaargang 87, p. 42
Menno de Bree, Imperfecties, FD Persoonlijk, 6 oktober 2018