A- A A+

Header PKN

Zondag 23 september 2018 met ds. Aukje Westra

Ieder jaar worden er ridderordes uitgereikt. Mensen die veel gedaan betekenen voor de samenleving krijgen door de burgemeester een lintje opgespeld. Ze worden lid van de orde van Oranje Nassau of de Nederlandse Leeuw. Maar in de stad Den Haag hebben ze nog een andere orde. Daar kun je lid worden van de orde van het theelepeltje. Iedereen die op de één of andere manier de wereld een stukje beter heeft gedaan, kan lid worden van de orde. Iedereen mag een ander lid maken. U zou dus uw buurvrouw die veel humor heeft en past op haar kleinkinderen lid kunnen maken.

 

De inspiratie voor deze Orde ligt bij de Israëlische schrijver Amos Oz. Hij heeft in een interview gezegd: “Wanneer je getuige bent van een grote ramp, bijvoorbeeld een uitslaande brand, dan kun je drie dingen doen: Rennen voor je leven, en degenen die niet kunnen rennen aan hun lot overlaten. Een boze brief schrijven aan de redactie van je krant en de verantwoordelijke mensen aanklagen. Een emmer water op het vuur gooien. En als je geen emmer hebt, dan een glas water. En als je geen glas hebt neem je een theelepeltje water. Iedereen heeft wel een theelepeltje. Een theelepeltje is heel klein en het vuur is enorm, maar we zijn met miljarden en iedereen heeft wel een theelepeltje.”

Er zit ook een serieuze kant aan. De Zweedse orde van het theelepeltje geeft raad aan kinderen die ontvoerd kunnen worden. Kinderen van gescheiden ouders, meisjes die volgens de ouders besneden moeten worden. Of kinderen die voor een gedwongen huwelijk naar het land van herkomst gestuurd worden. De orde adviseert de kinderen om één of meer theelepeltjes in het ondergoed te dragen. Bij controle op het vliegveld gaat de metaaldetector af. Dan kunnen de kinderen om hulp vragen.

 

Inleiding op de Bijbellezing

In het Bijbelverhaal dat we vandaag lezen gaat het over vertrouwen. Jezus en drie van zijn leerlingen hebben een hoogtepunt beleefd op de berg. Een stralend uur met Jezus. Als ze weer met beide benen op de grond staan, is het business as usual. Niks gaat vanzelf. Een grote groep menen staat om de leerlingen heen. Een stel theologen discussiëren met hen. Er is een man met een zoon die lijdt aan epilepsie. De leerlingen konden hem niet beter maken. Hoe kon dat nou? De diagnose van Jezus is: jullie lijden aan een gebrek aan geloof, aan vertrouwen. We lezen Marcus 9: 14-29. Leo Timmerman leest met ons.

 

Bijbellezing Marcus 9: 14-27 Vertrouwen

 

Overweging

Jezus en drie van zijn leerlingen hebben op een berg een hoogtepunt beleefd. Beneden gekomen treffen ze een grote menigte aan en een verhitte discussie aan. Uit de anonieme massa stapt een man naar voren. Hij vertelt dat hij een zoontje heeft dat bezeten is door een onreine geest. De geest heeft hem sprakeloos gemaakt, hij kan niet praten en niet horen. Hij kan niet duidelijk maken wat hij wil, wat hij nodig heeft. Zijn vader kan geen contact maken met hem. Die nare geest gooit hem op de grond, het schuim staat hem dan op de mond en hij verstijft. Hij verdort, staat er in de Statenvertaling. Het jongetje lijdt aan epilepsie, alleen in die tijd wisten ze dat niet. Maar het gaat ook niet over epilepsie alleen. Als er in de Bijbel iemand genezen wordt, gaat het altijd om meer dan de lichamelijke ziekte. Waarom is deze jongen verstijfd geraakt? Wat is er gebeurd in zijn leven dat hij verdord is? Jezus focust op heel de mens. Het gaat hier niet alleen om het lichaam, maar ook om zijn hart, zijn ziel, zijn denken en voelen. Dat zien de leerlingen niet en daarom kunnen ze hem niet genezen.

 

Jezus maakt gebruik van wat wij nu noemen: systeemtherapie. Wat voor invloed hebben de mensen om de jongen heen? Daarom richt Jezus zich niet op de jongen, maar op zijn vader. Bij hém moet iets veranderen. En Jezus richt zich op de leerlingen. Zij konden de jongen niet beter maken. Het irriteert hem, hij zegt: Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng het jongetje hier. Zijn diagnose luidt: gebrek aan geloof. De leerlingen kijken te eenzijdig naar de jongen, alsof ze met toverkrachten de jongen weer beter kunnen maken. Terwijl Jezus weet: voor echte genezing moet je naar heel de mens kijken, naar brein en body, lichaam en ziel. Daar heb je iets anders voor nodig, namelijk geloof. Of, beter gezegd: vertrouwen.

 

Jezus gaat niet de confrontatie aan met de epilepsie, maar met de onreine geest. En meende dat de aanvallen daardoor veroorzaakt werden. En weer, er is meer dan dat. Marcus, de schrijver van dit verhaal, gebruikt met nadruk de term onreine geest. Het heeft te maken met Jezus’ missionstatement. Jezus gaat de strijd aan met verziekte sferen in groepen. Hij ziet wat een mens doos en dor maakt. Hij geeft hen het leven terug. Hij laat hen opstaan uit de dood. Hij gaat de strijd aan met demonen, met de krachten die mensen gevangen houden. Hij wil mensen vrij maken. Hij is geen wonderdokter, maar een zielzorger.

 

De vader heeft geluisterd naar Jezus en hoop gekregen. Hij zegt ‘Als u iets kunt doen, leef dan met ons mee en help ons.’ Jezus is nog steeds gepikeerd: ‘Of ik iets kan doen? Heb je mij niet gehoord? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ En meteen roept de vader: ‘Ik geloof! Help me in mijn ongeloof!’

 

Het deed me denken aan een Bijbelles op de lagere school. Meester vertelde in geuren en kleuren over de hemel, alsof hij er zelf geweest was. Wij luisterden ademloos. Toen vroeg één van de jongens in de klas ‘Hoe kun je daar komen, in de hemel?’ Meester zei: ‘Je moet in God geloven.’ Onmiddellijk geloofde driekwart van de klas. Geloven leek een beetje op het zetten van een handtekening onder een contract. Je stemde in met een aantal waarheden. Maar helpt dat contract als je kind ziek is? Als een stad die in rouw in om vier kinderen die omgekomen zijn? Voor Jezus is geloof geen lesje, maar een training. We hoeven geen christelijke rijtjes uit je hoofd leren, we oefenen ons in vertrouwen. Wat betekent vertrouwen als een heel gezin omkomt in een brand? Als kinderen sterven bij een spoorwegovergang?

 

Kijk naar de vader en zoon in het Bijbelverhaal. In beelden van onze tijd: ik zie een jongen voor me die zodra hij thuiskomt van school naar boven gaat. Niet om huiswerk te maken, maar om te gamen. Op school gaat het steeds slechter, hij heeft weinig contact met andere jongens. Zijn ouders zijn ermee an. De vader neemt draconische maatregelen. Hij pakt de jongen zijn laptop af. Pas als hij aan kan tonen dan hij zijn huiswerk gedaan heeft, krijgt hij hem weer. De jongen krijgt woedaanvallen, het schuim staat hem op de mond. Afwerend zit hij ’s avonds aan tafel. Hij zegt geen woord en reageert nergens op.

 

In het Bijbelverhaal pakt Jezus de zoon niet aan, maar hij praat met de vader. Het ontbreekt hem aan vertrouwen. Hetzelfde geldt misschien voor de vader in deze tijd. Hij is bang dat de jongen zijn toekomst verspeelt. Angst regeert en daarom gaat hij tekeer. Het brengt oorlog teweeg. Om iets aan de situatie te kunnen veranderen, moet de vader zich niet focussen op de jongen, maar zich richten op zichzelf. Zich bewust worden van zijn angst. Angst vernauwt je beeld, je ziet de dingen niet meer scherp. De vader heeft ook zo zijn geschiedenis: zichzelf opgewerkt, alles op eigen kracht gedaan. Zo benadert hij zijn zoon, hij zet druk en dat krijg je tegendruk. Hij moet leren vertrouwen, want dat is de voedingsbodem voor verandering. Dat beteken niet dat je alles accepteert. Dat betekent ook niet dat alles goed zal komen. Maar de vader moet leren de jongen iets te bieden waar het hem zelf aan ontbreekt: vertrouwen.

 

Als hij het gevoel krijgt dat hij geaccepteerd wordt, komt er ruimte voor verandering. Bij jongens die bang zijn voor sociale contacten, bij mannen die gewend zijn om druk te zetten, bij vrouwen die zich tussenbeide verscheurd voelen. Vertrouwen in de mogelijkheid van ieder mens om tot bloei te komen. Want wij mensen hebben net als planten de neiging om naar het licht toe te groeien. Als planten genoeg water en zonlicht krijgen, gaan ze bloeien. Hetzelfde geldt voor mensen, als iemand niet gelijk aan ons gaat zitten trekken, als iemand zich verdiept in ons geeft dat vertrouwen. Het is het begin van groei en bloei.

 

Terug naar de Bijbel. In dit genezingsverhaal richt Jezus zich niet op het kind, maar op het systeem, op de vader. De vader toont die in een paar woorden die dubbelheid die we allemaal kennen. Ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp! Ik heb vertrouwen, maar ik faal ook zo vaak. Jezus komt het ongeloof, de angst van de vader te hulp, hij is ook maar een mens, ook vaders hebben zichzelf niet gemaakt. Jezus geeft hem vertrouwen, Jezus aanvaardt hem. Dat geeft de vader moed, hij verandert en de jongen wordt genezen. Vervolgens spreekt Jezus de onzuivere geest toe. Met veel misbaar vertrekt die uit de jongen, hij blijft voor dood liggen. Zie je wel, zeggen de mensen, dat krijg je ervan als je zoveel overhoophaalt bij mensen. Maar Jezus pakt de jongen bij de hand en helpt hem overeind. En de jongen staat op. Een opstandingsverhaal.

 

Het slot van het verhaal is veelzeggend. Jezus laat de menigte voor wat die is en gaat een huis binnen. Als ze alleen zijn, vragen zijn leerlingen: ‘En waarom konden wij dat niet, die geest uitdrijven, het kind laten opstaan, weer laten leven?’ Jezus antwoordt: ‘Dit soort kan alleen door gebed uitgedreven worden.’ Alsof het gebed toverkracht heeft. Als je maar genoeg bidt, dan wordt je vrouw wel beter. Rowan Williams, de voormalige aartsbisschop van Canterbury, zegt:
“Het is te gemakkelijk gebed te beschouwen als een soort ‘bestorming’ van de hemel: op een of andere manier moeten we genoeg smeekbedes uitspreken om ervoor te zorgen dat God van gedachten verandert; of we moeten echt wat druk op God uitoefenen zodat Hij doet wat we willen; of God is zover weg dat we veel lawaai moeten maken om zijn aandacht te trekken (…) Gebed is vooral ‘toestaan dat God in ons gebeurt’ Toestaan dat God in ons gebeurt. De onzuivere krachten in onszelf aanvaarden én en ruimte maken voor de heilige kracht van God. Ons oefenen in vertrouwen en zo vrede brengen in de wereld. Eén theelepeltje is genoeg. Amen.

 

Bronnen

Theelepeltje.nl
Het citaat van Rowam Williams is afkomstig uit een preek van Bert Altena, predikant in Vries, zie www.bertaltena.com