A- A A+

Header PKN

Zondag 2 september met ds. Aukje Westra

 

Wie is de mens? Wat is de zin van het leven? Over zulke thema’s dachten de filosofen in het oude Griekenland na. Ze zochten voortdurend aan nieuwe inzichten, naar wat vreemd en onbekend is. En dan komt een volgeling van Jezus, Paulus, naar Athene. Hij zegt dat hij de onbekende God gevonden. Niets in de vorm van een standbeeld, maar gewoon op straat, in de vorm van een mens. De geleerden zijn nieuwgierig én geïrriteerd

 

Bijbellezing Handelingen 17: 16-32 Paulus in Athene

 

We gaan vandaag van de rijdende rechter naar het oude Griekenland en weer terug. De rijdende rechter: een overhangende boom, een heg die niet geknipt wordt, harde muziek in de tuin van de buren. Dat loopt uit op ruzie. De politie wordt gebeld, maar die kan niet zoveel doen. Dan komt de rijdende rechter in zich. Via de tv maken we het spektakel van dichtbij mee. Beide partijen mogen hun verhaal doen. Vrienden en familie van buurman A vertellen hoe aardig hij gewoonlijk is, vrienden en familie van buurvrouw B noemen haar een warme persoonlijkheid. Uiteindelijk doet de rijdende rechter uitspraak. De overhellende boom moet worden gesnoeid, de schutting mag blijven staan. Na de zitting geven beide partijen elkaar de hand, maar echt gezellig wordt het niet. De uitspraak is gedaan, ze hebben of gewonnen of verloren, maar blijven wrokkig. De ander is het kwaad. Hun beeld van de buren is uitgehouwen in steen, onveranderlijk. Dat zou de apostel Paulus vreselijk hebben gevonden. Mensen mag je niet vastleggen en God al helemaal niet. Ze zijn steeds weer nieuw, vreemd en onbekend.

 

Paulus loopt door de Athene en geniet van de veelkleurigheid. Maar hij ergert zich aan de godenbeelden die overal staan. Als Jood gelooft hij in de ene, ware God. Al die beelden doen hem pijn. Neem alleen al het beeld van Athene, de beschermgodin van de stad. Haar beeld was 12 meter hoog, ze was dwingend aanwezig, je kon niet om haar heen. Vergelijk het met het Vrijheidsbeeld van New York. Boos over zoiets worden was gewoon in de synagoge, maar hardop mopperend over de markt lopen is weer wat anders. De stad Athene is een tolerante stad, je mag geloven wat je wilt. Alleen kunnen ze niet tegen mensen die zelf intolerant zijn. Daar balen ze van en Paulus is één van hen.

 

Op de markt ontmoet hij de intellectuele elite van de stad. ‘Wat beweert die praatjesmaker toch?’, vragen ze. Zich af. Sommigen zijn van de school van Epicurius, anderen dan de school van de Stoa. Beide groepen denken na over de zin van het leven. De Epicuristen vinden het belangrijk dat je pijn zoveel mogelijk uit de weg gaat. Je moet proberen zoveel mogelijk te genieten van het leven. In de taal van onze tijd: doe leuke dingen! De Stoïcijnen vinden het belangrijk dat je je niet mee laat slepen door je gevoelens. Als jou iets naars overkomt, moet je proberen niet overstuur raken. Het is de bedoeling dat je in alle omstandigheden kalm blijft. En je moet je inzetten voor de maatschappij. In de taal van onze tijd: ‘Wees niet negatief, denk positief.’

 

De filosofen hebben voor niets anders tijd hebben dan voor nieuwe ideeën. Daarom nemen ze Paulus mee naar de Areopagus, ze willen een gesprek. De areopagus was en is een 115 meter hoge rots in het centrum van de stad. Paulus moet daar uitleggen wat hem bezielt. ‘Wat u zegt, klinkt ons vreemd in de oren; we willen graag weten wat u bedoelt’.

 

De toespraak van Paulus is eigenlijk een preek. Hij geeft uitleg bij een tekst, alleen komt die tekst niet uit de Joodse Thora, het oude testament. De tekst staat op de sokkel van een Grieks altaar. Er staat: ‘Aan de onbekende God’. Het is slim van Paulus om daarmee te beginnen, want zo sluit hij aan bij de filosofen. Zij zijn niet geïnteresseerd in wat ze allang weten, in bekenden goden. Ze zijn benieuwd naar de kern van dingen, de kern van het geloof. Ze zijn op zoek naar het nieuwe, het vreemde en het onbekende. Paulus ideeën komen van buiten, ze zijn vreemd. Het onbekende fascineert hen, ze zijn er nieuwsgierig naar.

 

Paulus gaat in op hun nieuwsgierigheid. Hij zegt: ‘Jullie geloven in het nieuwe en het onbekende. Als er iets nieuws is, gaan jullie erop af. Zo blijven jullie in beweging. Het leren kennen van het onbekende dat is jullie godsdienst. Paulus waardeert de Grieken om hun drang om steeds te vernieuwen. En tegelijkertijd maakt het hem woedend: ‘Ik heb het hier allemaal bekeken, jullie zijn veel te religieus. Je gelooft in de verkeerde dingen.’

 

In de eerste zinnen van zijn betoog heeft Paulus zijn punt al gemaakt. De God over wie hij wil vertellen is ook nieuw, vreemd en onbekend. Totaal anders dan je je kunt voorstellen. Maar deze God maakt zich bekend. Hij bepaalt ons bij de mens. Als je wilt weten hoe die onbekende god is, moet je kijken naar mensen. Die lijken namelijk op God. God wordt zichtbaar in mensen. Paulus richt niet nog eens een beeld op voor God, maar voor mensen in wie God oplicht. Dat is het punt dat Paulus wil maken. Om bij dat punt te komen, zet hij drie stappen:

 

Hij is het met de epicuristen eens. God heeft mensen niet nodig heeft. God stijgt boven mensen uit. God woont niet in tempels. Maar hij is het ook met de stoïcijnen eens. God is niet onverschillig, God wil wat van mensen. God is de kern van wie wij zijn. En, het derde punt van Paulus: Wij hoeven geen beeld te maken van God, want wij zijn dat beeld zelf. Wij zijn zelf de bewegende beelden, de levendige verhalen van God. Daarom moet je geen beeld van God maken, het leid je alleen maar af. God kun je niet uitbeelden. Dan leg je je eigen droombeeld vast, misschien zelfs in kostbaar goud, maar het blijft een dood beeld. Het probleem daarvan is dat die beelden je afleiden van jezelf, van anderen. We moeten bij onszelf blijven, zoals we werkelijk zijn. Zoals we werkelijk zijn, niet twaalf meter hoog, maar één meter vijfenzestig of misschien iets groter, één meter vijfentachtig.

 

De toespraak van Paulus is een knap opgebouwd betoog. De filosofen denken na over de diepere dingen van het leven. Over wie God precies is en wie de mens precies is. Maar Paulus buigt dat om. Hij zegt: Als je wilt weten wie iemand is, moet je kijken naar wat hij of zij doet. Dat is typisch Joods. We zullen nooit precies weten wie God is, we ervaren God in wat Hij doet. Hij heeft hemel en aarde gemaakt. Dat wil zeggen: God schenkt leven, God maakt ons levend. God gebeurt als wij elkaar adem geven, als wij zorgen dat het leven leefbaar is. Paulus zegt: ‘Wij zijn in God en gaan van Hem uit.’ En het is de bedoeling van ons leven om steeds op zoek te gaan naar die God. Daar zijn waar leven is.

 

Paulus heeft in zijn rede zijn punt gescoord. Nu komt het aan op de uitwerking. De Grieken moeten niet langer de onbekende goden vereren, maar zich richten op de echte mens, op wat echt mens-zijn is. De echte mens lijkt wat Paulus betreft op Jezus. Een falend figuur die ongelofelijk veel leven heeft gebracht. Als je eenmaal op zijn spoor zit, kun je de andere goden er niet meer bij hebben.

 

Nee, dit betekent niet dat het Christendom de enige ware godsdienst is. Andere godsdiensten leiden op hun wijze naar God. Paulus wijst erop dat God geen idee, geen overtuiging is, maar Iemand die gebeurt, liefde in actie, bezieling. Waar mensen elkaar diep in de ogen kijken, daar is God. De epicuristen riepen op om leuke dingen te doen. Maar als dat het doel is, dan hadden we Maarten van der Weijden niet zien zwemmen. Dan hadden er geen tractors bij de sloot gestaan om hem ’s nachts bij te lichten. Maarten zwom uit dankbaarheid en omdat hij iets wilde, geld ophalen voor kankeronderzoek. De stoïcijnen proberen zo gelijkmatig mogelijk te leven, rustig te blijven. Maar als dat het doel is, dan waren we nooit getroost door de liederen van bijvoorbeeld zwarte popmuzikanten. Ze geven stem aan frustratie, onrecht en liefde. Jezus is dé mens voor Paulus en dé weg. Hij laat zien waarvoor hij leeft en waarvoor hij wil sterven: goddelijke levendigheid. De rest is bijzaak, afgoderij. De godenbeelden in de stad staan voor een houding; alles komt goed, als je je maar rustig houdt. Laat je niet van de wijs brengen. Dat maakt Paulus boos. Echt leven is anders.

 

Waar we die God van Paulus die alles in beweging zet kunnen vinden? Misschien bij de schutting of in de woonkamer waar je hoort hoe de kinderen van de buren de trap op en neer denderen. Jouw beeld is gevestigd: ‘Die lui zijn erop uit om mijn leven te bederven. Het zijn aso’s.’ En ook het beeld van jezelf is onveranderlijk: ‘Ik ben weer de klos, ik kan er niks aan doen.’ Het kan trouwens ook omgekeerd: iemand komt bij jou aan de deur: Waarom jij uitgerekend op mooie zomeravonden het gras maait, terwijl zij rustig buiten willen zitten.
Politie en rijdende rechter helpen niet echt. Maar tegenwoordig is er buurtbemiddeling. Als buren zich aan elkaar irriteren, wordt het steeds meer zwart/wit. En buren vullen voor elkaar in. Je neemt dingen aan. Iets kleins wordt daardoor groot. Dan gaan bemiddelaars hun werk doen. Er komen er twee, zo benadrukken ze hun neutraliteit. Ze praten eerst met buur A, dan met buur B. Willen ze het allebei, dan volgt er een gesprek op neutraal terrein. Dat komt heel precies. Er moet voorkomen worden dat het verder uit de hand loopt. Er mag niet gevloekt en getierd worden. En de buurtbemiddelaars geven geen advies, de buren moeten zelf met een oplossing komen.

 

Het gesprek maakt mensen milder. Ze zijn bereid meer van elkaar te pikken. Als ze hun verhaal vertellen, vindt er herkenning plaats. ‘Als ik had geweten dat je vrouw ziek is zodat jij geen tijd hebt voor de tuin, dan had ik de heg wel even gedaan.’ De buurtbemiddelaars geven aandacht aan het verleden, maar uiteindelijk gaat het om de toekomst. Straks moeten ze weer naar huis, daar komen ze elkaar weer tegen.

En nee, niet alles komt goed. Niet alle mensen kunnen zich inleven in de ander. Soms is iemand psychisch ziek of heeft hij/zij een beroerd verleden. Maar vaak komt het wel goed. Soms komen er tranen, soms een handdruk of een omhelzing. Daar word je blij van, daar zou Paulus blij van zijn geworden. Hier gebeurt God, in en bij mensen openbaart hij zich. Zo bekend. Iets met openheid, warmte.

 

En dan houdt Paulus op. Hij kan mensen niet bekeren, wat echt leven is, wat de kern van mens-zijn is, dat moeten we zelf ontdekken. Dat kan iemand ons niet opdringen. ‘Begin een nieuw leven’, dat is de oproep waarmee hij eindigt. Het nieuwe leven begint niet in de kerk, maar bij u thuis of in de winkel. Daar licht God op. Het beeld van God is ongeveer 1 meter 75 lang. Of iets langer of korter, dat zou kunnen. Amen.