A- A A+

Header PKN

Zondag 8 juli met ds. Aukje Westra

 

Inleiding op de schriftlezing

Een kleindochter blijf eten bij opa en oma. Voor het eten zijn opa en oma een moment stil. Kleindochter van vijf is van thuis niet gewend aan dit ritueel. Ze kijkt verwonderd toe. En dan kan ze zich niet langer bedwingen, ze roept: ‘Opa, waarom doe je dat?’ Ze vindt het vreemd, dat opa en om stil zijn en hun ogen dicht hebben. En nog vreemder is dat ze erbij gaan praten. Terwijl er niemand is.

 

Wat antwoordt u als een kind u vraagt wat u aan het doen bent als u bidt? Wim Jansen, oud-predikant uit Zeeland wist niet wat hij moest zeggen. ‘We zijn stil voor God?’ Maar hoe leg je uit wie God is? Dus antwoordt hij: ‘Ik ben even stil omdat ik me wil concentreren. Op het wonder van het eten.’ De volgende keren dat kleindochter mee-eet, zij zei: ‘Eerst even stil zijn’.

 

Wat zegt u als iemand u vraagt wat bidden is? Bidden is contact zoeken met de bron van ons bestaan, met de heilige levensader, met God. We gaan uit de Bijbel lezen en luisteren naar een gebed en naar een reisverhaal. We lezen psalm 42 en Exodus 16 te beginnen bij vers 22. Het gebed bevat de woorden van iemand die droogstaat. Ze heeft dorst naar echt leven. Het reisverhaal uit Exodus vertelt over de tocht van het volk Israël door de woestijn. Het volk is op weg naar het beloofde land, maar krijgt dorst. We luisteren naar Sjoerd de Witt.

 

Schriftlezingen

Psalm 42 in de vertaling van Huub Oosterhuis
Exodus 16: 22-27

 

Psalm 42
Zoals een hert reikhalst naar levend water,
dorst ik naar God, de levende God.

 

Ik ben zielsbedroefd, ik denk aan U –
al uw brandingen beuken mij,
golven slaan over mij heen.

 

Levende God, mijn rots, hebt Gij mij vergeten?
Waarom loop ik er haveloos bij,
gekweld en vernederd?

 

Moedeloos ben ik, opstandig,
ik zal op U wachten.

 

Gij zijt mijn lijfsbehoud,
Gij zijt mijn God.

 

Ik zal mijn mond niet houden
tegen U.
Onrustig droef opstandig
is mijn ziel in mij.

 

Wie zijt Gij dat ik U belangrijk vind
dat ik mij toets aan U?

 

‘Draai toch eindelijk
je ogen van Hem af!’

 

Maar dan heb ik geen antwoord.

 

Nooit heb ik niets met U.

 

Wachten, tegen beter weten in,
Of ik U heb bedacht –
leven met een nooit geziene
zwijgende geliefde

 

waarom zou ik
U niet opgeven?

 

Maar ik kan niet anders
dan roepen: heb mij lief.

 

Zoals een hert smacht
naar waterstromen
zo rende ik jou tegemoet

 

die hoogtijdagen

 

stond op de altaartreden
zong met lichte stem het lied

 

jouw kind.

 

Nu om mij heen het ijzig zwijgen
het geschamper:
die die je je jeugd verblijdde
waar is hij gebleven?
Op reis, de smoor in, dood?

 

Alsof de horizon werd uitgewist
de aarde losgezongen van haar zon.

 

Maar dan stijgt plotseling
een stem
in mij omhoog
boven mij uit
ik weet niet waarvandaan:

 

jij bent mijn god.

 

 

Overweging
Als ik op bezoek ben bij iemand die er slecht aan toe is, komt vroeg of laat bij mij de vraag op: Moet er gebeden worden? Ik vind dat lastig. Ik ben geen bidmachientje dat gebeden produceert. Bidden is iets kostbaars, dat doe ik niet zomaar. Ik wil het de ander ook niet opdringen. Dus vraag ik het voorzichtig: ‘Stelt u het op prijs dat ik met u bid?’ Geregeld luidt het antwoord: ‘Nee, laat maar, ik ben niet zo gelovig.’ Maar om te bidden hoef je niet zo gelovig te zijn, zegt Wim Jansen. Mensen van alle tijden en alle plaatsen doen het. Zoveel mensen die in een kerk een kaarsje aansteken. Eerst is er het gebed, dan het geloof. Hij verwijst daarbij naar bijzondere momenten in het bestaan. Ik denk aan het begin en aan het einde van een leven. Een kind is geboren, je hebt nog pijn van de naweeën en tegelijk is er onuitsprekelijk geluk. Een geliefde ligt op sterven, samen zit je rondom het bed. Er wordt niet veel gezegd. En er is verslagenheid en tegelijkertijd verbondenheid. Uitersten raken elkaar, er is verdriet en verbondenheid. Dit zijn heilige momenten, uitersten raken elkaar. We staan in contact met een werkelijkheid die ons overstijgt. Die werkelijkheid past gewoonweg niet in ons hart, die is groter dan wij zelf. Dit soort ervaringen kent iedereen, gelovig bent of niet. Ze gaan over gedeeld verdriet, gedeelde hartzeer, gedeelde verrukking.

 

Hier ligt de oorsprong van het gebed, zegt Wim Jansen. Alsof je een adres zoekt waar je je gevoelens kwijt kunt. We ervaren de essentie, de kern van het bestaan, namelijk dat het leven, ondanks alles, goed is. Dat hebben we niet van een vreemde. Toen God hemel en aarde schiep, had hij dit voor ogen: ‘Hij zag dat het goed was.’ Dat wil niet zeggen dat alles perfect was, juist niet. Ondanks en door alles heen weten we dat het goed is.

 

Op die essentie moet je je concentreren, zegt Wim Jansen. Zoals torenvalken zich concentreren. Torenvalken bidden. Ze hangen roerloos in de lucht en houden hun prooi in de gaten. Dat is bidden: je concentreren op het wonder van het leven met alles erop en eraan. Iedereen bidt, zegt Wim Jansen. Bidden is gemakkelijk en iedereen kan het. Ieder mens weet wat de kern van het leven is en geeft daar woorden aan of muziek. Hij vertelt van twee ontdekkingsreizigers. De vrienden bevonden zich op de Noordpool. De tocht duurde te lang, het eten raakte op, ze waren uitgehongerd. Toen werden ze ontdekt door een Amerikaans spionagevliegtuig. De Amerikanen landden en lieten een kist met eten achter, de lunch van de bemanning. De beide vrienden besloten niet direct aan te vallen, maar even te wachten. Om even in stilte naar het eten te kijken. Om langzaam in onszelf tot tien te tellen en dan pas te eten. Het wachten voelde vreemd, maar ze hebben zich nog nooit zo rijk gevoeld als op dat moment van stilte. Het eten smaakte daarna beter dan ooit. Daarom bidden wij voor het eten. Het is stilstaan bij het wonder, bij de rijkdom van voedsel. Omdat ik het leven bijzonder vind. Uit respect voor de goedheid leven.

 

Maar dit zijn theelepeltjes gebed. Af en toe heel even. Maar het is de bedoeling dat het gebed constante wordt, een permanente onderstroom in ons leven. Dat we voortdurend afstemmen op God. Die bijzondere momenten doen ons verlangen naar meer. Als we een keer geproefd hebben van de heilige levensader, krijgen we dorst naar meer. De gewone maandagen en dinsdagen steken er bleekjes af bij die heilige momenten. Er is sleur, soms zelfs leegte. We bidden vanwege de zwaarte van het leven. Bidden is stilstaan bij het gruis en geruis in ons leven, bij het gat in ons hart. Bidden is ons verlangen woorden geven. Dat laatste klinkt heel netjes, maar ik bedoel eigenlijk schreeuwen. De zaak gaat bijna failliet, ouders spreken nooit eens waarderend over jou, vrienden hebben geen aandacht voor je. We voelen ons een minkukel, niks waard. Dan krijgen we heimwee naar oude tijden, zie psalm 42. De dichter zegt: Ooit huppelde ik stralend de trappen van de tempel op en zong ik met lichte stem. Moet je mij nu zien, gehavend, gebeukt. Toen, ooit, was God er gewoon. Maar nu, nergens te bekennen. De dichter schiet van de ene uiterste naar het andere, we zien haar denken. Eerst roept ze dat ze niet van plan is om haar mond te houden tegen God. En dan zegt een stem in haar: Je hebt God verzonnen. Een spookgeliefde. Daar brengt zij weer iets tegenin: Maar ik kan niet ophouden met verlangen! Dan schampert de andere stem: Denk je dat dat zin heeft? Wat, wie jij zoekt, waar is ’t ie gebleven? Op reis, de smoor in, dood?

 

Maar dan, zegt de dichteres, maar dan stijgt plotseling een stem in mij omhoog, boven mij uit, ik weet niet waarvandaan: jij bent mijn god. In de hele psalm heeft ze God met Gij aangesproken, de Verhevene. Nu is Gij ‘jij’ geworden. Dichtbij, ‘jij’ is een stem in haar, een stem die boven haar uit stijgt. Jij bent het. Haar dorst is gestild, het hert dat smachtte naar water, heeft haar bron gevonden. De dichter van de psalm vertelt ons dat God in ons geboren moet worden. Daarmee bedoelt ze niet dat wij God zijn. Ze bedoelt dat er onder al dat gruis en geruis in ons leven een diepere laag is die raakt aan God. Bidden wil zeggen dat we de stenen en dat gruis onderzoeken en verwijderen. En God als grond vinden, als bron van bruisend water. Liefde en gerechtigheid voor ons en voor iedereen.

 

Bidden is niet gemakkelijk. Zo van, hup, een houtje in het bittere water van je ziel gooien en hopla, klaar is Kees. Zo simpel ligt het niet. Kijk naar wat het volk Israël meemaakt. Het volk is onderweg naar het veelbelovende land. Mooie verwijzing, we zijn dus niet op weg naar de ouderdom of naar de dood. Steeds vaker bingo spelen, steeds meer geraniums, één en al saaiheid. Volgens de Bijbel zijn we onderweg naar steeds intenser, steeds échter leven. De start ervan ligt niet in het paradijs, maar in de woestijn, in de droogte. Al drie dagen lang vindt het volk Israël geen water. En als ze het vinden is het bitter, ondrinkbaar. Mara.

 

Toegepast, ga terug naar start, u ontvangt geen 200 euro. Bidden is beginnen bij de leegte, bij de droogte, bij dat wat verkommert in jou en in de wereld. En u bent gewaarschuwd, in plaats van je beter te gaan voelen, wordt het eerst slechter. We voelen ons nog onbestemder. Beginverergering, noemen ze dat in de homeopathie. Terecht dat het zich volk beklaagt bij Mozes. Mozes zoekt in naam van het volk God op. God geeft Mozes een stuk hout. Als hij dat in het water gooit, verandert de bitterheid in zoetheid. Het water wordt drinkbaar. Mooi beeld, het gebed als een stuk hout dat we in het water gooien. We gooien onze angst en teleurstelling in het water. Er ontstaat beroering. En dan kan bitterheid in zoetheid veranderen, verzet wordt aanvaarding, leegte wordt vervulling, wanhoop wordt hoop. God wordt dit verhaal heelmeester genoemd. God is degene die bitter zoet maakt en het leven weer in ons laat stromen.

Besef hierbij goed dat het uitspreken van wat ons dwars zit, dat het gooien met het houtje, nog maar het begin is. Na het bidden, komt het luisteren. Na ons vragen, komt Gods antwoordt. Voor mij voelt het antwoord alsof ik weer op eigen benen kom te staan, alsof ik nieuwe moed krijg. Voelde ik me eerst machteloos, als ik gebeden heb, is het alsof ik nieuw zicht krijg op dingen. Vaak gaat daar een nacht overheen. Ik merk dat God antwoordt via mijn lichaam. Het lichaam dat laat weten wat goed voor mij is en wat niet. Ik geloof ook dat God ons antwoordt in dromen, Hij laat in beelden zien wat ons benauwt en wat toekomst heeft. God antwoordt ons via anderen, een soort shocktherapie. Anderen die ons eens flink de waarheid zeggen. Of die ons juist met erg veel geduld aanhoren. ’t Is maar net wat we nodig hebben.

 

En het doel van al dit bidden, van al dit gezwoeg? Zie het Bijbelverhaal. Doel is dat we in Elim aankomen. Op Mara volgt Elim. Het is een oase. Er zijn daar twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Beter kan niet. Overal schaduw, een overvloed aan stromend water. Na een periode van bitterheid en brandend verlangen is er rust. Even bijkomen. Nee, ziekte gaat vaak niet over, pijn blijft schroeien. Maar er is altijd iets van schaduw, er stroomt levend water door ons heen. Amen.

 

Gebed van Jan van Ruusbroec (1293-1381)
Goede God,
Jij die in mij woont met de kracht als van een opspuitende bronwel,
vol sprankelend, leven gevend water.
Ik heb het – tot mijn schade en schande – klaargekregen
om jaar na jaar stenen te verzamelen
en daarmee die bronwel in mij te begraven
onder puin en gruis en eigen drukdoenerij.
Ik moet Jou weer opgraven in mij,
opdelven in mijn diepste diep, het schilderijtje van mijn wezen,
mijn gelaat grondig laten restaureren van jarenlang vuil.
Jij hebt er Jouw gezicht in uitgetekend,
daar waar Jij verblijf houdt, diep in mij.
Wanneer krijg jij het klaar om Jouw beeltenis in mijn wezen
weer van blijdschap te laten stralen?
In dat verfrissend, opspattend bronwater,
daar diep, heel diep in mij verborgen?
Kom, trek me naar binnen, blijf kloppen aan de poort.
Kom, delf op mijn ware gelaat, maak mij mooi,
maak van mij Jouw liefste mens, ik kan niet meer zonder Jou,
Jij die woont in mij, opborrelende liefde - wassend water dat mij leven doet.
Kom, leef Je uit in mij.

 

Bronnen:
Wim Jansen, Bron in je brein
https://nijkleaster.frl/zomerse-rust-maar-de-kleaster-woensdagochtend-gaat-altijd-door/