A- A A+

Header PKN

Zondag 13 mei 2018      Ds. Aukje Westra


Bijbellezingen     Jona 2: 1-10

                         Marcus 4: 35-41

Overweging
Vaak kun je op meerdere manieren naar een Bijbelverhaal kijken. Allereerst letterlijk, gewoon heel concreet. Dan vertelt Marcus van een storm die plotseling opsteekt en even plotseling weer gaat liggen. Dat is geen wonder, het gebeurde geregeld. Jezus bevindt zich met zijn leerlingen aan de oever van het meer van Genessaret. Dit meer ligt in het Noorden van Israël, in Galilea en het ligt heel diep, om precies te zijn 208 meter onder de zeespiegel. Het meer wordt omringd door bergen. Ajn allah – het Oog van God – noemen de Arabieren dit meer.  Omdat het er gewoonlijk rustig en stil bij ligt. Maar het kan ook anders. Op warme dagen kunnen er onverwacht valwinden van de bergen in het lagedrukgebied van het dal schieten. Die valwinden stoten dan bijna loodrecht op het wateroppervlak. De wind zweept de golven op en maakt het voor een boot moeilijk om nog veilig thuis te komen. En zo snel als deze storm op komt zetten, zo snel verdwijnt die ook weer. Het meer ligt er weer even rustig en vreedzaam bij als altijd.


Van zo’n storm doet Marcus verslag. Het is al laat op de dag en het is druk geweest. Er had zich een enorme menigte mensen om Jezus heen verzameld en Jezus heeft de mensen levenslessen gegeven. Het avond is geworden, de leerlingen sturen de mensen weg. Ze nemen Jezus mee in de boot. Samen met andere boten varen ze het meer op, van plan om over te steken. Maar dan steekt er een zware storm op. De golven beuken tegen de boot, zodat die vol met water komt te staan. Jezus ligt achterin de boot ligt te slapen. Hij wordt wakker gemaakt. Hij komt overeind en vaart uit tegen de wind en de zee. De wind gaat liggen het meer komt helemaal tot rust. Het is een wonder, maar een wonder zoals dat wel vaker voorkomt op het meer van Genessaret.


Maar daarom vertelt Marcus dit verhaal niet. De storm gaat niet alleen over daar en toen, maar ook over hier en nu. Hoe je in zwaar weer terecht kunt komen en toch, daardoorheen, licht en rust kunt vinden. Het zeeverhaal van Marcus doet denken aan Jona. Hij heeft een opdracht gekregen, hij moet over grenzen heen, naar de overkant. En hij komt net als Jezus en zijn leerlingen in een zware storm terecht. Hij is doodsbang.


Daar begint het mee, met de overkant. We willen weg, de wereld en onszelf ontdekken. We willen niet voor altijd in de veilige haven blijven, we willen ons ontwikkelen, dingen uitproberen, groeien. De overkant lokt.  En voor we het weten zijn we midden op zee en spookt het. Het water is diep en ruig, de wind loeit. Neem de wens om kinderen te krijgen. Die is sterk, maar kinderen krijgen is geen vanzelfsprekendheid, sommigen moeten er veel moeite voor doen. Het stelt je relatie op de proef, je toekomst is onzeker. Neem de wens om te ondernemen, je start een bedrijf op, het geeft je energie.  Maar het vraagt ook veel van je. Je zwemt als een topsporter om het hoofd boven water te houden. Of neem de wens om je eigen geld te verdienen, van betekenis te zijn. Je doet je werk met verve, tot je ziek wordt. Je lichaam laat het afweten. Je hoort ’s ochtends de buren wegrijden, zij gaan naar hun werk, jij moet zelf de dag door zien te komen.


In onze angst gaan we denken: Was ik maar aan de kant blijven staan, een beetje pootjebaden, dan was dit allemaal niet gebeurd. Maar zo zitten we niet in elkaar. We zijn geschapen naar Gods beeld, dat wil zeggen: er zit creativiteit in ons, we willen wat beleven, we willen iemand worden. Z klinkt de stem van God, als een roep in je: Kom, eropuit, doe wat! En zodoende storten ons in avonturen die we niet kunnen overzien. Stormen steken op, móeten zelfs opsteken, want zo ontdekken we wie we zijn en wat we kunnen betekenen voor anderen.


Ook de kinderen die gedoopt zijn zullen in zwaar weer terecht komen. Per definitie, dat hoort erbij. Je kind ligt niet lekker in de groep, bijna niemand vraagt hem op een kinderfeestje. Jij ligt er ‘s nachts wakker van, het kolkt in je. Heel anders dan Jezus die op het achterschip ligt te slapen. Hoe doet ‘ie dat?, vraag ik me af.  De leerlingen verwijten hem onverschilligheid, hun ellende kan hem niks schelen. Ze maken Jezus wakker. Als hij zijn ogen uitgewreven heeft, straft hij de wind af en zegt hij tegen de zee: ‘Zwijg jij, houd je koest!’ De wind gaat liggen, het water wordt helemaal rustig. En tegen de leerlingen zegt hij: ‘Waarom zijn jullie zo bang, hoe kan het dat je zo weinig vertrouwen hebt?’ Het klinkt als een verwijt, maar het kan een uitnodiging zijn, nadat de storm in jou is gaan liggen.


Dit is wat bidden midden in de storm, middenin de nacht kan doen. Je schreeuwt het uit, God, doe wat, help me. En soms wordt het dan rustig in je, de wind gaat liggen en je valt in slaap. Als je ’s ochtends wakker wordt, is de situatie nog hetzelfde, alle problemen zijn er nog, maar jij bent anders. De vraag die Jezus stelt aan de leerlingen, komt in je op: ‘Waarom was ik zo bang en had ik zo weinig vertrouwen?’ Het is belangrijk om bij die vraag stil te staan. Denk na over wat je zo bang maakte, ging dat over jouw kind of over jezelf? En ervaar hoe het is om te vertrouwen. Je kind zal zijn of haar weg vinden, al krijg je nooit garanties. Dankzij jouw vertrouwen kan het groeien. Het ene wonder is de geboorte van dat kind. Het andere wonder heet vertrouwen. Kenmerkend voor wonderen is dat je ze niet kunt organiseren. Maar je kunt wel voorbereidingen treffen, de weg vrijmaken om het wonder te laten gebeuren. Je kunt leren vertrouwen.


Jullie vertelden dat er ouders zijn die het paadje voor hun kinderen helemaal schoonvegen. Curling-ouders, zo noemden jullie ze. Het was duidelijk dat jullie niet zo met jullie kinderen om willen gaan. Maar ook jullie worden geconfronteerd met de hoge eisen die de wereld aan jullie kinderen stelt. Dat wakkert je angst aan en stelt je vertrouwen op de proef. Ik vind het nog steeds zweten. Je ervaart wat de doop betekent: in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, kopje ondergaan, alles toelaten en weer boven komen. Je laten dragen door het vertrouwen. God heeft jullie uit je veilige haven weggeroepen, in de storm laat hij je niet in de steek. Jullie kinderen zijn gedoopt, zij hebben de opwaartse kracht van het water al leren kennen.


Geloven is een soort van zwemles: gaandeweg leren we dat het water ons draagt. Amen.