A- A A+

Header PKN

Zondag 15 april  Clemenskerk Havelte

Kerkdienst m. m. v.het Meppeler Kamerkoor Cigale o.l.v. Marion Bluthard.
Voorganger: Aukje Westra
Organist: Mannes Hofsink
Cellist: Corine Kok

Voorbereiding op de Bijbellezing
We lezen in deze kerkdienst uit de brief van Paulus aan de Romeinen. Paulus is een Jood, geboren een paar jaar voor het begin van onze jaartelling.  Hij groeide op in Tarsus, een havenstad in het Zuid Oosten van Turkije in een Joods gezin. In Jeruzalem werd hij onderwezen in de Thora. Hij verzette zich tegen de Jezus-beweging die het met alle voorschriften niet zo nauw nam. Tot hij, onderweg naar Damascus in Syrië, een visioen kreeg. Jezus riep hem. Paulus sloot zich aan bij de Jezusbeweging en sticht her en der in het uitgestrekte Griekse rijk gelovige gemeenschappen. Door middel van het schrijven van brieven hield hij contact met deze gemeenschappen. Vandaag lezen we een deel uit de brief aan een christelijke gemeenschap in Rome. Paulus maakt een tegenstelling: Aan de ene kant is er het vlees, aan de andere kant de Geest. Als je leeft naar het vlees, dan sterf je. Als je in geestkracht leeft, zul je leven.  We luisteren naar een tekst uit een ander land, een andere tijd en een compleet andere cultuur. Maar met een boodschap die overal en altijd geldt: vreugde roept ons.

Bijbellezing Romeinen 8: 1-13


Leerlingen van de levensschool,
Als kind zwerft Paulus door de havenstad Tarsus. Hij ziet schepen aanmeren, ruikt de frisse zee lucht en de stank van rotte vis, hij hoort het gehamer op scheepswerven, het geschreeuw van meeuwen en mensen.  Hij doet wat kinderen doen, niet iets doen met een doel, maar bewegen om het bewegen. leven om het leven. Hij proeft het stadsleven én groeit op in een beschermde omgeving, de Joodse gemeenschap. Daar leert hij wat goed leven is. De Sabbat vieren, geen varkensvlees eten enz. Deze praktische richtlijnen geven hem rust en richting. Als hij volwassen is, verdedigt hij ze met verve. Maar de vreugde, de levenslust sijpelt uit hem weg. Wat als je je als Jood altijd de mindere voelt van de hoogopgeleide Grieken en dat compenseert door te denken dat je beter bent dan hen? Paulus houdt zichzelf met voorschriften in het gareel. Maar vreugde maakt plaats voor kramp. De leefregels alleen zijn niet voldoende. Hij moet verder, dieper graven of dieper zakken. Het is maar hoe je het bekijkt.

Op weg naar Damascus wordt hij overrompeld door een visioen: ‘Waarom vervolg je mij?’, vraagt Jezus? Of, met andere woorden: ‘Waar ben je bang voor?’ Paulus ontdekt zijn kwetsbaarheid onder de kramp. Zijn gevoelens van minderwaardigheid, de teleurstelling onder de ergernis, zijn eenzaamheid. Deze kant in hem noemt hij voortaan het vlees. Én hij stuit op zijn onuitroeibare levenslust, die hem deed joelen als hij me maten door een steeg rende. De golf van warmte in zijn lichaam als hij een leuk meisje zag.  Ook hij is aangelegd op vreugde. Deze kant in hem noemt hij de geest.

Het is alsof Paulus lichaam en geest uit elkaar haalt. Alsof het lichaam lastig is en vervelend en de geest daarbovenuit stijgt. Maar daar gaat deze tegenstelling niet over. Paulus onderscheidt twee kanten in ons, twee wetten noemt hij dat. Of beter gezegd: twee wetmatigheden. De ene kant die hij vlees noemt, is onze zwakke, gewonde kant. De andere kant is de geest, onze gezonde kant. Als onze zwakke kant spreekt, is het alsof heel de wereld tegen ons is. We voelen ons klein en afhankelijk en blazen onszelf daarom op.  We zijn machteloos, we worden niet gezien.  Bach laat het in zijn muziek horen. In het tweede deel van het motet ‘Jesu, meine Freude’ laat hij zingen over het wandelen het vlees wandelen’, het is alsof we ons voortslepen. Als onze gezonde kant, de geest, spreekt, staan we op eigen benen. Er zijn nog steeds moeilijkheden, maar er is ook altijd een uitweg. We hoeven onszelf niet te bewijzen, we zijn er gewoon en dat is genoeg. Bach laat stemmen horen die tegelijkertijd dezelfde tekst en hetzelfde ritme zingen. Na alle melodieslierten voelt het bijna als een opluchting. Deze muziek snappen we, eindelijk thuis in de geest van God. (Uitleg met dank aan Marion Bluthard, dirigente). Die twee kanten zijn twee wetmatigheden. Ze strijden in ons om voorrang. De ene, de zwakke kant, is als een groef, weet Paulus, steeds weer vallen we in die groef. De gezonde kant is als een verlangen, dat ons de weg naar echt leven wijst. Vreugde die ons roept.

Paulus geloofde in de groef, altijd maar weer die zonde. Hij bestreed die door zichzelf aan banden te leggen. Dankzij het visioen op weg naar Damascus gelooft hij voortaan in verlossing, in een uitweg, in de roepstem van de vreugde. Paulus kijkt met de ogen van Jezus kijkt hij naar zichzelf, tikkie gegroefd, maar ook vol levenslust. Hij volgt Jezus in zijn sterven en opstaan. Zijn zwakke kant is zijn kracht geworden. Om het te betrekken op onszelf:  Als je je door een depressie heen hebt geworsteld, begrijp je anderen die er midden in zitten, maar al te goed. Wie een echtscheiding heeft meegemaakt, kan anderen steunen die in een relatiecrisis zitten. Uit de groef, uit het graf van ons verdriet zou wel eens veel vreugde kunnen oprijzen. Paulus leert mensen hoe ze zelf richting kunnen geven aan hun leven. Hij schaft de Joodse leefregels niet af, maar verdiept ze.

Het visioen van Paulus was een overweldigende momentopname. Zoals wij op deze voorjaarsdagen overrompeld kunnen worden door schoonheid en warmte. De uitwerking van deze ervaringen duurt levenslang. Daarom heten volgelingen van Jezus ook mensen van de weg. Heel hun leven onderzoeken ze hun groef en zoeken ze de roepstem van de vreugde. Jesu, meine Freude, heet het motet van Bach. Bach hoopt dat wij net als Jezus gaan geloven in de roepstem van de vreugde, in God. Hij citeert steeds delen uit de brief van Paulus aan de Romeinen en wisselt die af met verzen uit een toentertijd bekend kerklied. Hij daagt zichzelf uit: Laat die vijand maar komen, laat satan maar razen. Oude draak, ga maar tekeer. Ellende, nood, kruis, hoon, het doet me allemaal niets. Kom maar op, ik kan je aan. Ik stap het leven in en leer zo de weg van Jezus te gaan. Bach eindigt bescheiden. ’t Is voortaan niet altijd zomer in zijn leven. Het motet is treurmuziek.  Een kwartier voor de afscheidsplechtigheid van een overledene verzamelden de zangers bij het lijkhuisje en zongen hun lied. Bach laar horen dat leed en spot, voor gek uitgemaakt worden, dat alles blijft. Maar de vreugde ook, want die is eeuwig, niet kapot te krijgen, zoals God eeuwig is. Luister maar.

Cigale zingt Jesu, Meine Freude van Johann Sebastian Bach