Afdrukken

Zondag 11 februari 2018 met ds. Aukje Westra

 

Psalm 36: 6-10

Marcus 1: 39-45

 

Het is 14 oktober 2011. In Guangzhou, een enorme Chinese stad gebeurt een ongeluk. Een peuter van twee jaar wordt omvergereden door een bestelwagentje. Het meisje ligt voor dood op straat. Achttien mensen lopen haar voorbij, ze kijken weg, stappen in een brede cirkel om hem heen. Uiteindelijk is daar de negentiende persoon, een vuilnisopraapster. Ze omarmt het kind en probeert hen te redden. Maar het is te laat. Een week later overlijdt de peuter aan haar verwondingen.

 

 

Als dit op internet bekend wordt, zijn de mensen razend. Miljoenen Chinezen vragen zich af wat er mis is met hen dat je een kind voor dood laat liggen. De mensen die voorbijliepen werden verhoord en zeiden dat ze het meisje niet eens gezien hadden. Of ze dachten dat een ander wel zou helpen, het omstanderseffect. Maar als je aan mensen in het algemeen vraagt wie het kind geholpen zou hebben, dan steekt iedereen zijn hand op. Wij wel. En we zijn verontwaardigd over de mensen die het niet gedaan hebben. Hoe konden ze…. Verontwaardigde mensen gaan los op internet. We gaan tekeer tegen die domme Chinezen en laten onszelf buiten schot. Verontwaardiging is een goede motor om in actie te komen als er onrecht is. Maar te veel verontwaardiging leidt nergens toe. Jij zit achter je pc lekker anoniem te schelden op anderen. De splinter in het oog van de ander terwijl jij met een balk rondloopt die je alle zicht ontneemt. Blinde woede, blinde verontwaardiging helpt de wereld niet vooruit.

 

Maar wat dan wel? In het verhaal van Marcus is dat medeleven, empathie. Een melaatse komt bij Jezus, zijn huid is aangetast. De ziekte wordt ook wel huidvraat genoemd. Het is geen lepra, die ziekte werd pas in de vierde eeuw meegenomen uit het Verre Oosten. Het gaat hier waarschijnlijk om een schimmelinfectie die de huid aantast. Als je vieze plekken hebt op je lichaam, ben je afstotelijk. Melaatsheid maakt mensen eenzaam, isoleert ze. Volgens wetsvoorschriften uit het Eerste Testament moeten melaatsen gescheurde kleren dragen, hun hoofdhaar los laten hangen en ‘Onrein. Onrein’ roepen. Zo weten gezonde mensen dat ze uit de buurt moeten blijven. Melaatsen moesten in afzondering leven. Eigenlijk gold een melaatse als een levende dode.

 

De ziekte werd ook nog eens verbonden met zonde. Het is de schuld van de melaatse zelf. Het dorp of de stad had een reden om de zieke mensen buiten te sluiten. De melaatse komt naar Jezus toe, smeekt hem om hulp en valt op zijn knieën. Wat hij zegt is interessant. Niet: kunt U mij gezond maken, maar wilt U mij gezond maken. Als U dat wilt, kunt u mij weer rein, schoon, gezond maken. Het gaat er niet om dat Jezus laat zien wat hij kan, maar wat hij wil. En dat is iets veel groters: Gezond maken is niet alleen dat die ene beter wordt, maar dat de hele gemeenschap gezond wordt. Dat de verbondenheid in de familie, het dorp hersteld wordt. Dat je er weer bij hoort. Jezus wordt met ontferming bewogen. Letterlijk staat er dat het rommelt in zijn buik. Hij steekt zijn hand uit en raakt de melaatse aan. Een gewaagde handeling, want nu is Jezus zelf smerig, onrein. Hij wordt zelf iemand die buitengesloten moet worden. De man wordt beter en moet naar de priester toe om nog een reinigingsritueel te ondergaan. Dan hoort hij er weer helemaal bij.

 

Maar eerst valt Jezus nog hard tegen de man uit: ‘En je houdt je mond!’ Want het gaat niet om het wonderkind Jezus die mensen op afroep geneest. Het gaat om een samenleving die mensen mee moet laten doen. Dit maakt het verhaal interessant. Jezus leeft mee met de melaatse man, heeft empathie. En hij maakt duidelijk dat er zijn grenzen zijn aan zijn aan zijn medeleven met al die enkelingen. Ze komen in groten getale op hem af. Dat kan hij nooit aan en daar wil hij niet aan. Hij zou het doekje voor het bloeden zijn. Want niet al die individuele mensen moeten beter worden, maar de groep moet gezond worden. Niemand moet buitengesloten worden. En daar is iets anders voor nodig.

 

Er zijn grenzen aan ons medelijden. Als een kind in China voor dood op straat blijft liggen, gaat ons ingewand rommelen, we worden er misselijk van, we leven mee. Maar wat als er duizenden verkeersdoden vallen? Dat moeten er mensen opstaan die niet zich niet alleen bekommeren om die ene peuter, maar die zorgen voor veiliger wegen. Die rationeel nadenken over waar rotondes moeten komen, waar voetgangersoversteekplaatsen. Of over hoe de zorg georganiseerd moet worden. We zijn met te veel mensen om met iedereen persoonlijk mee te kunnen leven. We kunnen niet van hart tot hart met iedereen betrokken zijn. Daarom organiseert de staat de solidariteit. De overheid zorgt voor veilige wegen, voor scholen, voor huisartsen en ziekenhuizen. De overheid moet de beperkte middelen eerlijk verdelen. En dat gaat hoe dan ook soms ten koste van enkelingen. Twee voorbeelden. Allereerst de mensen die hier naartoe vluchten. Zodra we een vluchtelingengezin persoonlijk leren kennen, doen we er alles aan om hen hier te houden. Maar dit is niet het enige gezin dat aankomt in Nederland, in Europa. Het zijn er miljoenen. Wat is dan goed? We kunnen onze ogen en grenzen niet sluiten voor het probleem. We zien de nood van vluchtelingen. Maar Angela Merkel zei te snel: Wir schaffen das. Of, in de tweede plaats, de discussie rond lichaamsdonatie. Als een familielid wacht op een donornier, wil je niet anders dan dat alle Nederlanders zich in principe beschikbaar stellen, tenzij ze anders aangegeven hebben. Maar welke recht hebben nabestaanden?

 

Luisterend naar Jezus hoor ik dit als boodschap. Medelijden is nodig als we voor onze naasten zorgen. We zoomen in, zijn betrokken bij die ene. Maar medelijden ook bijziend: we richten ons op de enkeling en hebben even geen oog voor de rest van de wereld. Maar het gaat niet alleen om die ene alleen, het gaat om een gemeenschap die gezond moet zijn, die iedereen een eerlijke kan geeft. Of, sterker nog, een wereld die gezond moet worden. In een samenleving gaat het niet om spontane empathie, maar georganiseerd meeleven met elkaar. Bestuurders móeten zich noodgedwongen distantiëren van die ene om zoveel mogelijk mensen recht te doen.

 

Soms hoor ik mensen mopperen op de gezondheidszorg: ‘Mijn kind was ziek en toch wilde de dokter niet komen’. Nee, want u was de dertigste die die ochtend de assistente belde. Soms gaat het dan mis, met hopelijk niet al te ernstige gevolgen. Het blijft mensenwerk. Kritisch volgen van huisartsen, specialisten, politici en leerkrachten is belangrijk. Maar bedenk daarbij dat zij ook mensen zijn. In maart kunnen we de gezonde samenleving weer ondersteunen. Door te stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen en als we onze belastingpapieren invullen. Leuker kunnen we het niet maken, wel rechtvaardiger. Amen.

 

Bronnen
Jessa van der Vaart, Niet meer eenzaam. In: Kind op Zondag, no. 3, 11 februari 2018
Ignaas Devisch, Wees liever onverschillig. Essay in: Trouw, 28 oktober 2017