Afdrukken

21 januari 2018 Kerkdienst met ds. Aukje Westra

Afscheid en bevestiging van ambtsdragers

 

Schriftlezingen
Jeremia 1: 4-10 Jeremia geroepen
Marcus 1: 16-20 Leerlingen van Jezus geroepen

 

Verkondiging

Volgelingen van Jezus, onze Heer,

 

In de Nieuwe kerk in Amsterdam is op dit moment de tentoonstelling te zien: We have a dream. In de kerk zijn filmbeelden, foto’s te zien en teksten te lezen van Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Drie wereldverbeteraars, zij staan voor vergeving, geweldloos verzet, moed. En het zijn voorbeelden van hoop: ze hebben zicht verzet tegen onrecht, op een waardige manier. Ghandi, King en Mandela doen het voor en vragen ons: Wie volgt?

 

Jezus doet het voor en vraagt een paar vissers: Wie volgt? We horen het verhaal in zijn oudste versie, van Marcus. Marcus is kort door de bocht, geen verhaal over de geboorte van Jezus, maar iets over Johannes de doper. Meteen neemt Jezus het stokje van Johannes over. Rechttoe, rechtaan. Jezus gaat naar Galilea, zeg maar Noord Oost Groningen, om het goede nieuws te vertellen. Het goede nieuws is dat het Koninkrijk van God is aangebroken. ‘Kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws’, zegt Jezus, dit is het moment.’ ‘The time is always right to do what is right, zegt Martin Luther King. Het is altijd het juiste moment om de juiste dingen te doen.

 

 

Jezus zoekt mensen die dit geloof waar willen maken. Wie volgt? Hij loopt langs het meer van Galilea en ziet mannen aan het werk, Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Jezus zegt tegen heb: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ De eerste volgelingen van Jezus móeten wel vissers zijn. Dat staat in het boek van de profeet Jeremia. God zegt daar dat Hij vissers nodig heeft die mensen op. Jezus is niet de eerste en ook niet de laatste. Hij staat in een lange traditie van mensen die andere mensen opvissen.

 

Weer krijgen we dan typisch Marcus-stijl, rechttoe, rechtaan. De vissers worden geroepen en hop, gaan. Het moet wel verdichting zijn, iets wat over een langere periode gebeurde, wordt in één zin beschreven. Want gehoor geven aan je roeping kost tijd. Het begint met een gevoel dat niet weggaat. Een stem in je die niet tot zwijgen gebracht kan worden. H., één van onze ouderlingen, vertelde over hoe moeilijk het is en hoeveel tijd het kost om, je roeping volgen. Eerst was er niks aan de hand, zei hij. Totdat hij ervoor uitkwam dat hij anders was dan anderen. Toen hij zijn echte verhaal vertelde, waren er mensen die hem de rug toekeerden. Anderen kwamen met Bijbelteksten aanzetten, waardoor de grond onder zijn voeten wegsloeg. Maar er waren er ook die achter hem bleven staan. De belangrijkste was zijn moeder, zij wees op de tekst uit het Evangelie van Johannes: “In het huis van mijn Vader zijn veel kamers.” Ze sprak hem moed in en wist hoe belangrijk het voor hem was. Zij zei: “Jezus roept je, er is ook plaats voor jou.” Maar het duurt even, zegt H., voordat alles een plek krijgt en je er zelf ook een beetje uit bent. Geloven in je roeping is moeilijk. Je voelt dat je niet bent wie je kunt zijn, maar om ervoor uit te komen, dat heeft tijd nodig. Troost voor alle mensen die hier moeite mee hebben, u staat in een lange traditie. Het vergaat Jeremia net zo. God roept hem, stuurt hem op pad. “Ah”, protesteert Jeremia, “ik ben te jong, doe mij maar niet. Sla mij maar over, want wie ben ik?” En toch.

 

Roeping begint niet met iets doen, roeping begint met een coming-out, met geloven dat je iemand bent. Roeping is ontdekken dat iets jou aantrekt. En dat is precies wat jij te brengen hebt en wat jou te doen staat. Wij zijn niet gemaakt om binnen te blijven, ieder mens is een buitenmens. Martin Buber, een Joodse filosoof heeft hier mooie dingen over gezegd. Hij vertelt van een Rabbi, een wetsgeleerde. Die vroeg: ‘Wijs mij een algemene weg om God te dienen!’ ‘Dat is een onmogelijke vraag’, antwoordde Buber. Er is geen algemene weg. De één dient God omdat hij een grote portie gevoeligheid heeft meegekregen, de ander omdat ze een rekenmeester is, een derde omdat hij wel moet dansen. Ieder moet voor zichzelf uitmaken wat hem of haar trekt. En als je dat ontdekt hebt, dan moet je deze weg met alle kracht die in je is, voor jezelf kiezen. Wat binnen in je is, moet naar buiten komen.

 

Wij laten ons inspireren door Ghandi, King en Mandela. Jezus gaat ons voor. Maar het zijn geen modellen die we na moeten tekenen. Martin Buber haalt bekende woorden aan: Als je God ontmoet, zal Hij je niet vragen: “Waarom ben je Mozes niet geweest?” Hij zal je vragen: “Waarom ben je Aukje niet geweest? Waarom ben je Johan, Albertje, Gezina of Cees niet geweest?” Ieder draagt iets kostbaars in zich, dat in geen ander te vinden is. Wat dat is, ontdek je door je sterkste gevoelens te volgen. Daarmee moet je het doen. Jezelf teveel vergelijken met anderen is te weinig luisteren naar je eigen roeping. May your choices reflect your hopes, not your fears, zegt Nelson Mandela. Als je kiest, volg dan niet je angst, maar je hoop. Je hebt genoeg in huis, je bent genoeg. Kies wat jou het sterkste aantrekt. Daarmee dien je God, dat is je roeping.

 

B., L. en F. werden geroepen. En daarmee bedoel ik niet alleen dat ze ambtsdrager werden. Ik doel op wat hen het sterkst aantrekt en op hoe ze de dingen doen, thuis, op hun werk en in de kerk. B.werd voorzitter van de kerkenraad, met twijfel: Kan ik dat? Gelukkig volgde ze niet haar angst, maar haar hoop. Ze had geleerd om te luisteren, in de kerkenraad laat ze mensen uitpraten. En ze heeft ongelofelijk veel humor. Zo snel als B. kan niemand reageren. B. werkt samen: We zijn een kudde met twee herders en er zijn heel veel hulphonden. Het leven van B. sloeg dicht toen haar man stierf. Ze is geen gelovige die de psalmen uit haar hoofd kent. Maar ze kwam door die jaren heen, omdat God haar droeg. Langzaam ging haar leven weer open. Ze zegt: “Op zondagochtend ga ik naar de kerk en in de schaduw van de toren, loop ik al met mensen op. De één groet je, de ander geeft je een knipoog. Ik ben niet alleen.” Waar B. komt ontstaat een warme sfeer en wordt het gezellig.

 

L. is een kind uit de pastorie, zijn vader was predikant. Een predikant hoorde mee te doen met de notabelen in het dorp, terwijl zijn salaris er niet naar was. Laurens heeft de stille armoede aan den lijve ervaren. Die achtergrond en zijn werk als makelaar in specerijen tekenen zijn optreden. Laurens houdt van de zakelijke kant van dingen, hij organiseert graag. Hij past zorgvuldig op de kerkelijke gelden en goederen. Hij probeert mensen bij elkaar te brengen. ‘Doe niet alles zelf, schakel anderen in’, is zijn uitgangspunt. Lastig voor hem als een domineeskind was dat het thuis altijd over de kerk ging. L. heeft ooit een poos afstand genomen van de kerk. Maar de boodschap van het Evangelie dat God liefde is, bleef aan hem trekken. De Bijbelse opdracht die we hebben: omzien naar elkaar. L. probeert een brug te slaan tussen kerk en gemeenschap. “Het geloof, dat zit in je, daar groei je mee op”, zegt L. “Bidden is gehoord worden. En bidden is zelfreflectie, jezelf afvragen: Zit ik op de goede weg? Als iets niet goed is, moet ik dat loslaten. En op moeilijke momenten is God daar.” Trouw en toewijding zijn de kracht van L.

F. ging naar de zuivelschool in Bolsward, dat heet nu de opleiding voor levensmiddelentechnologie. Hij koos voor de kaasmakerij en is in die sector blijven werken. Kaas is nooit hetzelfde, het voer van de koe, de culturen die eraan toegevoegd worden, de leeftijd, de temperatuur waarop het bewaard wordt, grof snijden of fijn snijden enzovoort. Toen ik F. over kaas hoorde praten, was ik helemaal om. Kaas kwam tot leven. Want F. en enthousiasme horen bij elkaar. Hij is altijd bezig, hij houdt van het lijstje dat afgewerkt moet worden. En hij weet mensen erbij te betrekken. Hij groeide op in een hervormde kerk met een strenge lijn. Het spreekt hem nu niet meer aan, maar het geloof is gebleven. “God houdt ons niet aan een touwtje vast”, zegt F., “maar God is bij ons.” Zo ervaart F. het, maar het is ook een moeilijk stuk, als je denkt aan alle ellende in de wereld. “Over Jezus zijn we het wel eens, maar die God van liefde, hoe maken we die zichtbaar?” Voor F. is deze kerk een warme plek, niet die sociale controle van vroeger. F. is een gevoelig mens, niet voor niets gaat hij nu verder als begeleider van rouwdiensten. Als F. aanwezig is, voelen mensen zich welkom en gehoord.

 

Ik eindig met de woorden die Jezus had kunnen uitspreken. Ze zijn van Martin Luther King: Als ik er niet meer ben, zal een klein beetje van mij voortleven in velen van jullie. Jullie zijn niet weg, jullie leggen alleen een kerkelijke functie neer. Weet dat een beetje van jullie leeft in velen van ons! Amen.

 

Bevestiging
In de gemeente van Jezus Christus zijn we levenslang leerling. We worden hier steeds opnieuw aan herinnerd aan Gods liefde. We oefenen ons in het geloof van Jezus, die het wonder zag in ieder mens. We stellen ons open voor de Geest die verbondenheid schept.

 

S. en K., wij zijn blij en dankbaar dat jullie je bereid verklaard hebt om je als ouderling voor deze gemeente in te zetten.

 

• Geloven jullie dat je, met de talenten die jullie gegeven zijn, een bijdrage kunnen leveren aan de opbouw van deze gemeente?
• Beloven jullie je je taak waardig en trouw te vervullen, geïnspireerd door de boodschap van Gods liefde, met aandacht en zorg voor de gemeente en de mensen die op jullie weg komen?
• Beloven jullie geheim te houden wat je in vertrouwen wordt gezegd?

 

Wat is daarop jullie antwoord:
Ja, in het vertrouwen dat wij het samen zullen doen en dat God ons daarbij helpt.

 

Gemeente,
Dit zijn jullie nieuwe ambtsdragers en hier staan ook de gemeenteleden die hun ambtstermijn laten verlengen. Willen u met hen meedenken en meeleven en hen hooghouden in hun ambt?
• Ja, dat willen wij van harte