A- A A+

Header PKN

Zondag 3 december 2017 te Uffelte met ds. V. Top

 

Eerste zondag van Advent.
Thema ‘Licht en donker: Advent en Caravaggio’

 

Inleiding op thema: Caravaggio

Als wij het over God en de hemel spreken en denken zijn wij geneigd omhoog te kijken. God en hemel zoeken en denken we ergens ver boven ons. Bij God en hemel denken we aan imposante kathedralen. Die hoog boven ons uittorenen. De gebrandschilderde ramen en zeker de schilderingen op het plafond dwingen je omhoog te kijken. En kerktorens wijzen de hoogte in, naar God. Denk ook maar aan de torenbouw van Babel: mensen wilden met dit bouwwerk tot hoog in de hemel klimmen.
De hemelvaart van Jezus stellen we ons ook voor als een opklimmen naar de hemel.
Dus de bijbel geeft zelf wel aanwijzingen over de kijkrichting. Maar het overgrote deel van de bijbelverhalen probeert duidelijk te maken dat we voor God niet omhoog moeten kijken, maar juist op ooghoogte.


Lees de evangelieën er maar op na: Jezus wijst niet voortdurend naar boven; Jezus kijkt vooral op ooghoogte of naar beneden. Jezus kijkt naar een blinde bedelaar die in een stadspoort zit, Jezus kijkt naar een gebochelde vrouw, Jezus spuugt op de grond, en met de modder die onder dat speeksel ontstaat raakt hij de ogen van een blinde aan. Jezus kijkt wel omhoog om tegen de tollenaar Zacheus te praten die in een boom is geklommen. Maar Jezus zegt niet tegen Zacheus dat hij hoger in de boom moet klimmen om God te ontmoeten: kom uit de boom, zegt Jezus, God en hemel zijn hier beneden te vinden. Temidden van het alledaagse leven. Met de mensen om je heen, mensen met al hun streken, listen en lagen en mensen met een ongedachte rijkdom in hun binnenste.
Bijbelschrijvers zijn daarom uitermate realistisch in hun beschrijvingen van mensen: de hele mens wordt bekeken. De tekortkomingen, de vuile streken, maar bovenal wordt er een weg gewezen: een weg naar geestelijke volwassenheid. Want de Bijbel is uitermate optimistisch over de mens. Over diens talenten, over de mogelijkheid om van dit leven een goed leven te maken. Met behulp van Gods Geest.
Samengevat: het gaat de bijbelschrijvers om realisme en het wijzen van een weg naar geestelijke volwassenheid.

Iemand die het leven in alle kleuren en geuren uittekende was o.a. de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi uit het dorp Caravaggio. Dat ligt vlak bij Milaan. Op 29 september 1571 is hij er geboren. En stierf in 1610. Hij wordt wel een voorloper van Rembrandt genoemd omdat zjn schilderijen, net als die van Rembrandt, vrijwel altijd een spel wordt gespeeld met licht en donker. Licht en donker in zijn eigen ebestaan. Licht en donker in het leven van anderen. Een ogal serieus spel.
Caravaggio’s ouders waren welgesteld: ze bezaten land, vader was een uitstekend ambachtsman (beeldhouwer / steenbewerker). Totdat in 1576 de pest uitbrak in Italië. Een vreselijke ziekte. Caravaggio’s vader overleed, zijn twee grootouders en enkele ooms. Caravaggio was toen vijf jaar oud. En stel je maar eens voor wat voor een effekt de pest heeft gehad op zo’n vijfjarige jongen. Een belangrijk deel van zijn familie overleden en dan nog al die doden op straat. Elke morgen werden de doden op straat gelegd en ze werden door een soort vuilnisdienst opgehaald.
De Joden kregen de schuld van het uitbreken van de pest. In werkelijkheid werd de pest veroorzaakt door slechte hygiëne, maar dat wist men toen nog niet. De Joden kregen de schuld. En het werd gezien als een straf van God.

In 1592 kwam Caravaggio in Rome aan. Een stad van 100.000 inwoners. Een stad met 2000 kunstenaars. Want de Pausen wilden Rome weer opbouwen na de verwoesting die Lutherse troepen in 1527 hadden aangebracht. Rome moest het stralende middelpunt van de christelijke wereld. Door de mooiste kerken te bouwen, door die kerken te laten beschilderen door de beste kunstenaars ter wereld en de beste beeldhouwers in dienst te nemen moest rome iedere bezoeker imponeren. En overtuigen dat het christendom, dat de Rk-kerk en de paus het goddelijke op aarde symboliseerden. Wie een voorproefje van de hemel wilde zien en meemaken, moest naar Rome toe. De Pausen wisten rijke families achter zich te krijgen en met name Paus Clemens slaagde hierin. Hij wist via slimme diplomatie Europese koningshuizen achter zich te krijgen, en in het kielzog van de koningshuizen rijke investeerders. Rome werd weer opgebouwd. En dat trok kunstenaars aan.
en allerlei andere mensen.
Kunstenaars kwamen in groepjes vanuit meerdere landen naar Rome om vaak samen een huis of een kamer te huren. Soms met meerderen tegelijk op slapen en schilderen e.d. op één kamer. Kunstenaars uit de verschillende streken van Europa typeerden elkaar als lomp, onbetrouwbaar, hitsig, drankzuchtig, etc. Stereotypen zijn van alle tijden en plaatsen.
De onderlinge rivaliteit en concurrentie was meedogenloos. Met wapens, met roddels en insinuaties, door zuur aan verf toe te voegen (waardoor blauw een paar dagen later in groen veranderde), met slimme diplomatie probeerde men te overleven en werd geprobeerd opdrachten los te peuteren van de rijke kardinalen. Deze testosteron-voortgedreven samenleving zocht ook naar een sexuele uitlaatklep. Duizenden vrouwen probeerden als model, als hoer, als courtisane een bestaan op te bouwen. Ze werden bijeengedreven in een aparte wijk. Maar zodra de avondklok inging zwierven ze uit over de stad.
Clemens trad hard op tegen kunstenaars met een dolk. Bezitters werden aan de armen aan touwen opgehangen. Armen achterwaarts. Deze straf van een half uur leverde zeer pijnlijk armen op die een wekenlange arbeidsongeschiktheid en een levenslange herinnering opleverden.
Caravaggio ging de strijd aan met zijn concurrenten aan. Letterlijk en figuurlijk. Eerst vond hij onderdak in het atelier van de Cesari’s. Maar op een dag betreedt één van de Cesari’s de werkkamer van Caravaggio en daar ziet hij een tafereel dat hem diep schokt. Caravaggio wordt onmiddellijk ontslagen. Wat Cesari daar zag is niet bekend, maar het moet vreselijk zijn geweest. Wat deed Caravaggio op het moment dat Cesari zijn werkkamer binnenkwam. We weten het niet.
Via bemiddeling van enkele kunsthandelaren vindt Caravaggio onderdak bij een kardinaal Del Monte. Een wijs man en een liefhebber van kunst en muziek en wetenschap. Kardinaal Del Monte steunde Galilei in zijn onderzoek naar de kosmos. Als dank daarvoor schonk Galilei kardinaal Del Monte hem een telescoop. Kardinaal Del Monte woonde in een groot paleis in Rome dat in bezit was van de Medici’s. Kardinaal Del Monte moest namens de familie De Medici’s contacten onderhouden met de paus. En Del Monte moest kunst inkopen voor de Medici’s. Del Monte was daarom geïnteresseerd in de briljante, maar ietwat lastige Caravaggio.
Kardinaal Del Monte is met name geraakt door het schilderij ‘Jongen gebeten door een hagedis’en geeft Caravaggio alle ruimte om te schilderen.
In deze periode schildert Caravaggio onder het schilderij ‘De Kaartspelers’. Een vernieuwend schilderij omdat dit Caravaggio de onderkant van de samenleving uitbeeldt. De onderlaag van de samenleving is een heikel thema in deze periode. Rome was een verzamelplaats van ex-huurlingen, gelukzoekers en mensen die op drift waren geraakt door de pestepidemieën. Hoe om te gaan met deze mensen? Hard en streng optreden, zoals rechts dat toen en nu voorstaat, of mededogend zoals de Jezuïeten en de Franciscanen het in de Middeleeuwen al deden? Waarbij elke arme werd gezien als een afspiegeling van Christus. Caravaggio neemt een eigen positie in. Hij poogt de complexe werkelijkheid weer te geven. Zijn kaartspelers laten de trucs van de vagebonden zien, zoals een dunne huid op de vingertoppen om merktekens op kaarten te herkennen, de handschoenen waar de vingertoppen waren verwijderd, de gebaren van de handlangers, etc. Meer in het algemeen: alle trucs die de armen uithaalden om aan geld te komen: zeep/epilepsie; zich uitgeven voor bedelende monniken, etc. Op zowel de kaartspelers als de waarzegster zijn de slachtoffers jong en rijk. C. laat de armen niet alleen als verwerpelijke criminelen zijn, maar ook hun vitaliteit, hun creativiteit, inventiviteit en plezier. Het is ook theater. De schilderijen zijn ook symbolisch voor Caravaggio.: de waarzeggende zigeunerin is niet alleen een betoverende vrouw , maar ook het alter ego van de schilder. Zoals de vrouw haar slachtoffer bedriegt, zo betovert en verleidt C. de toeschouwer met de schoonheid en frisheid van zijn kunst. Een dichtende vriend van C. zei het als volgt:
Ik weet niet wie een grotere tovenaar is,
de vrouw die bedriegt
of jij die haar schildert.

 

Zingen lied 441: 1, 5 en 6  Hoe zal ik U ontvangen?

 

Thema ‘Licht en donker: Advent en Caravaggio’ deel 2

 

Rust tijdens de vlucht naar Egypte (172 v.v.)
Eveneens een devotioneel schilderij uit dezelfde periode. Jozef is vermoeid en heeft een diepe frons op zijn voorhoofd. Nabij zijn hoofd zien we het hoofd van de ezel. Beiden kijken naar engel die er uitermate aards uitziet: een aantrekkelijke jongeman met echte duivenvleugels die losjes leunt op één been. Hij bespeelt een viool waarvan één snaar is geknapt en opgekruld. Maria en Jezus zoeken steun en troost bij elkaar. Op de achtergrond geven donkere wolken de status weer van de situatie: de heilige familie wordt is op de vlucht voor koning Herodes. Het schilderij wordt gespleten door de engel: hij is het zinnebeeld van het bijbelboek Hooglied waar aardse en hemelse liefde in elkaar overvloeien. De partituur is een muzikale bewerking van het bijbelboek. Het is typisch de thematiek van C.: mensen van bloed en vlees die leven van gods geest. Het bood voor de hogere geestelijkheid de ontsnapping uit een strikt ascetisch keurslijf.
Caravaggio had in Rome tot in de hoogste kringen succes met zijn schilderijen. Maar Caravaggio bleef een onrustig man en zocht voortdurend de confrontatie op. Op straat. In de kroegen. Altijd maar vechten en uitdagen. Zo was er ook een conflict met een paar pooiers. Caravaggio had een mooie vrouw van de hoeren afgepikt. Hij gebruikte haar o.a. als model voor zijn schilderijen. De pooiers pikten het niet. Uiteindelijk kwam het tot een duel. Caravaggio won en één van de pooiers was dood.
Caravaggio moest de stad uitvluchten. Zelfs zijn machtige beschermheren konden niet voorkomen dat Caravaggio veroordeeld zou worden voor zijn misdaad.
Caravaggio vluchtte naar Malta. En vond onderdak bij een ridderorde. Ook daar was men diep onder de indruk van zijn schilderijen. Maar u raadt het al. Ook daar verpestte Caravaggio het voor zichzelf. En opnieuw moest hij vluchten. Uiteindelijk kwam hij in Napels terecht. De familie Colonna, die familie uit Milaan regelde onderdak en bescherming voor hem.

 

In Napels en op Sicilië leeft Caravaggio als een opgejaagd dier. Hij heeft tijdens zijn leven veel vijanden gemaakt. En die willen hem doden. Hij weet dat. Bovendien is hij verzwakt. Malaria? Hoewel nog geen veertig jaar oud, heeft hij de conditie van een oude man.
Aan het einde van zijn leven worden de schilderijen steeds donkerder. Licht dringt nauwelijks nog door.
Een voorbeelden uit zijn laatste levensjaren: De aanbidding van de herders (467 v.v.) is het derde Siciliaanse altaarstuk. Het is een somber en diep persoonlijk werk. Hij schildert Maria als ze uitgeput en moe aan het bijkomen is van de bevalling. Al zijn grote, Siciliaanse schilderijen grijpen terug op de oudste en meest directe vorm van christelijke kunst en op zijn eigen vroegste en pijnlijkste herinneringen. De aanbidding van de herders is een griezelige allegorie op zijn eigen intrede in de donkere wereld van het door pest getroffen Milaan van de zestiende eeuw: geboren uit een moeder die weldra weduwe zou worden, geboren om door iedereen verlaten te wordenbehalve door haar. Dat is de reden waarom de mannen op de schilderijen alleen maar toekijken en haar niet kunnen aanraken, alsof ze droomgestalten of geesten zijn. Ze zien de verlatenheid van de moeder en haar kind, maar kunnen niets doen om hun lot te verlichten. Ze verkeren eigenlijk elders, in een andere schaduwwereld. Iconografisch zijn de verweerde en de bedroefde mannen Jozef en de vermoeide herders. Emotioneel zijn ze Caravaggio’s vader, zijn ooms, zijn grootvader, alle mannelijke familieleden die hij had en verloor. Het gereedschap van Caravaggio’s eigen vader was dat van een eenvoudige steenhouwer. Hier zijn ze vervangen door het al even eenvoudige gereedschap van de timmerman, dat zo troosteloos aan de andere kant van Maria ligt.
De tekendriehoek, de zaag, de dissel, de witte doek, ze liggen er ongebruikt bij: een memento mori, een zijdelingse herinnering aan een gewone man die een buitengewoon kind achterliet die voor zichzelf moest zorgen. Dit is Caravaggio’s laatste stilleven. Deze penseelstreken behoren tot zijn laatste die werkelijk betekensvol en veelzeggend zijn. Het is een schilderij waarvan de aanblik nauwelijks is te verdragen. (469)


Op 20 juli 1610 overlijdt Caravaggio: gewond, uitgewoond, uitgeput. Een man die zijn leven lang worstelde met licht en donker. Een man die zijn leven lang worstelde met zichzelf en de mensen om zich heen. Een man die zijn levenlang worstelde met God. Een man die zijn leven lang worstelde met Licht en donker. Hij wilde zo graag het Licht van God doorgeven. Maar de duisternis in zijn leven was zo sterk en krachtig dat het Licht er maar nauwelijks doorheen kon schijnen………… Maar toch wist hij………..