A- A A+

Header PKN

Kerkdienst op zondag 2 september in de Clemenskerk te Havelte.
Voorganger ds. Aukje Westra

 

Inleiding op de Bijbellezing
De afgelopen decennia is er enorm veel veranderd. We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar in de jaren tachtig werkte nog bijna niemand met de computer. Nu heeft ook u een smartphone in uw tas. Kijk naar auto’s: Dertig jaar geleden was er nog nauwelijks stuurbekrachtiging, raampjes draaiden we met de hand open. Ook ons menu is veranderd. We zijn van boerenkool via champignons naar avocado en quinoa gegaan en weer naar boerenkool.

 

Op één plaats lijkt er niet zoveel te veranderen en dat is hier, in de kerk. Maar ook hier bleef niet alles bij hetzelfde. Onze beleving van het geloof, het beeld dat we hebben van God veranderde. En ondertussen was alsof God vertrok uit de kerk. Het werd leger. Behalve in Havelte, want hier kwamen nieuwe mensen wonen. Maar ook wij zien dat weinig jongeren zich bij ons aansluiten. Dat wil niet zeggen dat er geen geloof meer is. Integendeel, mensen zoeken God nu door zich te verdiepen zich in het Boeddhisme. Ze wandelen naar Santiago de Compostella. Ze zoeken, naar zichzelf. Ze zoeken God die in en door menen werkt. Ze willen contact maken met iets in hen dat niet meewaait met alle winden, maar standhoudt in een hectische samenleving. Ze willen thuiskomen bij zichzelf.
Het is een Bijbelse ervaring. Jezus vertelt er een verhaal over. We luisteren naar de bekende gelijkenis over het kind dat van het padje afgaat. Hij raakt de weg en zichzelf kwijt. Na vele omzwervingen vindt hij zichzelf terug en komt hij thuis. Kort samengevat met een spreuk van Loesje: Ga je mee verdwalen? Ik ken de weg.

 

Schriftlezing Lucas 15: 11-32, vers 17: ‘Toen kwam hij tot zichzelf …. ’.

 

Ik wil u iets vertellen over Iris Hannema. Ze reisde in haar eentje naar 95 landen. En ze schreef er boeken over: ‘Miss Yellow Hair, hello’, hallo meid met het blonde haar. Of ‘De avonturen van een ontembare wereldreizigster.’ Bijvoorbeeld, na een reis van maanden door Oost Afrika gaat ze op zoek naar het paradijs op aarde. Ze bezoekt de eilanden in de Stille Oceaan, aan de andere kant van de wereld. Op het ene eilandje overleeft ze een verwoestende cycloon, op een ander dreigt een rassenoorlog. Op weer een ander eiland wordt ze beroofd. Maar dat paradijs? Haar reislust is ontembaar.

 

Een paar jaar later, Iris is dan 32 jaar, schrijft ze over een huis. Het huis staat in een klein dorp in de bergen van Frankrijk. De buitenmuren zijn grijs, er staat een knalgele parasol op het terrasje en er ligt oranje plastic over de stapel hout. Binnen ruikt het soms nog wat vochtig. Dit is háár huis.
Er is iets in haar veranderd. Altijd als ze aan een nieuw avontuur begon, bonsde haar hart, begon haar bloed sneller te stromen. Maar nu gaat ze niet opnieuw op reis, ze wil ze thuis blijven. Zou het de leeftijd zijn, ze is 32… Als ze foto’s van eerdere reizen bekijkt, steekt het reisvirus niet opnieuw de kop op. Maar ze herinnert zich hoe vermoeiend het reizen was. Altijd alert zijn, altijd afzien. Ze beseft dat ze bezig is geweest met overleven en aan echt leven niet is toegekomen. Daar is ze aan toe, een gewoon leven leiden. Een thuis hebben. Ze gebruikt een mooi beeld: de vissersschepen die op de open oceaan wiebelen tot je er groen van ziet. De vissers houden intens van de zee omdat ze weten dat de haven op ze wacht. Omdat ze weten dat land onbeweeglijk is. Dat er een thuis is.

 

Het verhaal van Iris Hannema lijkt op dat van de verloren zoon. Een kind gaat van huis, belandt in de goot en vindt uiteindelijk zijn thuis weer, met ouders die hem welkom heten en een mokkende broer. Een verhaal vol levenswijsheid.
Jezus vertelt dit verhaal om de geestelijk leiders van Israël iets duidelijk te maken. De strekking is: buitenstaanders, verdwaalden horen erbij. God heet hen van harte welkom.
Een halve eeuw geleden zou de uitleg ongeveer zo zijn: wíj zijn de verloren zoon. We zijn in zonde ontvangen en geboren, we lopen steeds weer weg van God. Maar God vergeeft ons en neemt ons in genade aan. Twintig jaar later wordt er gepreekt: Wie zorgt voor de naaste, voor de verlorenen, die doet Gods wil. God ontmoeten we in onze naaste.
In deze tijd is mijn uitleg zijn: Thuiskomen bij jezelf is thuiskomen bij God.

 

Iedere tijd kent zijn eigen geloofsbeleving. Een socioloog, iemand die studie maakt van de samenleving, heeft onderzocht hoe ons geloof door de jaren heen veranderd is. Hij noemt het een verschuiving van sacraal via sociaal naar vitaal. Hij zegt:
God was eerst vooral boven ons. God was onze Vader in de hemel. God was heilig, sacraal, de mens en de wereld onheilig, zondig. Denk aan de oorlogstijd. Als er veel chaos is en geweld bij mensen is, zoek je houvast bij een God die daarbovenuit steekt, die heilig is. Maar in de tweede helft van de vorige eeuw verdween deze God uit beeld. God die we zien in de naaste kwam ervoor in de plaats. Sociaal. We geloofden, maar nu vooral in de inzet voor de samenleving, voor vrede en gerechtigheid. God was voor ons als een tegenover, in de naaste zien we God.
En nu neemt ons geloof, ons godsbeeld weer een andere vorm aan en dan vooral bij mensen buiten de kerk. We geloven in onszelf. God is in ons, werkt door ons. God is de bron van levendigheid, vitaliteit.
Heel vreemd is deze driedeling niet. Je zou er bijna de drie-enigheid in kunnen zien: Vader, heilig, sacraal, de Zoon, sociaal en de Geest, vitaal.

 

Ons godsbeeld, onze spiritualiteit is een gevolg van ontwikkelingen in de maatschappij.
• Jezelf zijn, jezelf neerzetten is belangrijk in onze samenleving. Werk staat centraal. We kunnen onszelf erin kwijt. Een baan krijg je niet alleen als je goed bent in je vak, je moet ook goed kunnen praten, kunnen communiceren. Het leven is een uitdaging geworden. Het komt meer op onszelf aan.
• Het lichaam is belangrijk geworden. We proberen er zo jong en fris mogelijk uit te zien. Ons lichaam is ons uithangbord. Ik denk daar niet negatief over, ik doe graag mee. Maar het vraagt wel wat van ons. En het lichaam is ook op een andere manier belangrijk geworden. We beseffen meer en meer dat ons hoofd ons soms voor de gek houdt. We denken dat we alles aankunnen, maar het lichaam liegt niet. Daar voelen we onrust of spanning. Vandaar de belangstelling voor meditatie. Via hun lichaam vinden mensen zichzelf.

 

De kern van de moderne spiritualiteit is dat mensen het gevoel willen hebben dat ze écht leven. Mensen zoeken vitaliteit. Natuurlijk hebben we daar onze twijfels bij. Jezelf ontplooien is mooi, maar aandacht voor je oude moeder moet er niet bij in schieten. Werk is belangrijk, maar wat als de kinderen in het gedrang komen? Er goed verzorgd uitzien is een teken van gezondheid, maar het legt ook druk op ons. Wat als je niet zo mooi bent en geen geld hebt voor cosmetische behandelingen? Meditatie is prima, maar als je bij jezelf begint, kom je dan ooit nog uit bij de ander?

 

Ik denk dat iedere tijd zijn positieve en negatieve kanten kent. Hetzelfde geldt voor ons godsbeeld, voor de verschillende vormen van spiritualiteit. Als God verheven is en heilig en mensen zondig, dan sluipt er pessimisme en machteloosheid in. Als God zichtbaar wordt in de naaste, kan aandacht voor die naaste ook een manier zijn om jezelf te ontvluchten. Bijzonder aan onze tijd is dat mensen zichzelf niet meer uit de weg gaan. Al vanaf de basisschool worden kinderen gestimuleerd om na te denken over wie ze zelf zijn en hoe ze reageren op anderen. Dat is hard nodig omdat deze tijd veel van mensen vraagt. Het gevaar is dat we onszelf verliezen. Dat ervaren mensen aan den lijve, jongeren raken steeds eerder opgebrand. Daarom heet de nieuwe spiritualiteit: werken aan je vitaliteit. We zoeken naar duurzame kracht, energie die niet uitput, geloof dat het houdt. Daarom organiseren we in de Clemenskerk een cursus meditatie. Om mensen een ankerpunt te laten vinden, stevigheid in zichzelf, zodat ze minder snel uit de bocht vliegen. Meditatie is thuiskomen bij jezelf en leren luisteren naar God die spreekt via de Bijbel, maar ook via ons lichaam. We willen mensen laten ervaren wat de christelijke weg is, de christelijke methode. Die heeft te maken met verdwalen en thuiskomen, bij jezelf en bij God. Het leven is een pelgrimstocht en God de bron van vitaliteit.

 

Kijk naar Iris Hannema. Ze was dol op reizen. Maar als ze er nu op terugkijkt, ziet ze iemand die rende, ze had altijd haast. Ze was veel op zichzelf en wilde nergens bij horen. ‘Laat me met rust’ straalde ze uit. En tegelijkertijd voelde ze zich alleen, ze had zo’n behoefte aan contact. En toen besloot ze te leren thuiskomen. Iets waar ze al die jaren bang voor geweest. Ze meende dat ze dan in zou dutten, dat het saai zou worden, dan er thuis geen avontuur is. En nu, met een huis, een hond en een vriend, is het alsof er een masker af is. Ze durft zichzelf meer te laten zien. Het reizen was niet verkeerd, ze had het nodig. Via deze weg, kwam ze thuis bij zichzelf. Iris zegt niks over God, maar haar taal lijkt op die van de psalmen. Ze looft de schoonheid van de bergen, de warmte van een thuis.

 

Een pelgrimstocht brengt verdwalen met zich mee en heeft als doel thuiskomen. Dat leren we van Iris en van de verloren zoon. De levendigheid van God vinden we als we onszelf eerst verloren hebben. Pas als je iets kwijt bent, ga je zoeken. Het kind dat van het padje raakt, eist zijn deel van het bezit van zijn ouders op. In onze taal en tijd: hij heeft alles mee en krijgt alles mee, intellect, talent, een goed lijf. Maar hij maakt zijn opleiding niet af, begint met roken en drinken en wil een poos niks van zijn familie weten. Hij duikt onder in het leven en zoekt zijn grenzen op. Totdat hij op een grens stoot, zijn vriendin die hem laat zitten, een ontslag, een burn-out. Dan komt hij tot zichzelf en vraagt zich af of dit écht leven is. Hij overlaadt zichzelf met verwijten:’ Hád ik maar minder gedronken, hád ik maar…’ Hij komt tot zichzelf en zoekt de weg naar huis. Thuis dat wil zeggen, de plaats waar je met open armen ontvangen wordt. Dat thuis vinden we bij anderen, maar in de eerste plaats bij onszelf. Thuiskomen bij ons is onszelf niet langer op de kop geven, maar met vriendelijk kijken naar onszelf. Onszelf omarmen. We zijn druk geweest met overleven, nu ontdekken we wat leven is. Iets met houden van en geduld hebben met onszelf en plezier hebben met anderen.

 

Thuiskomen bij onszelf is ook dealen met dat rottige broertje die mokkend in de coulissen staat. Eigenlijk houdt Jezus op het spannendste moment op. Hoe gaat het verhaal verder? Het spannendst voor Iris Hannema is, nu ze een thuis heeft gevonden, gasten ontvangen. Gastvrij zijn voor anderen in haar eigen huis. Hoe gaat het verhaal van de verloren zoon verder? De volgende dag zijn beide broers in hetzelfde huis wakker geworden, de één vermoeid van het feest, de ander vermoeid van de boosheid. En pa en ma ertussenin. Maar wie thuisgekomen is bij zichzelf, is niet bang voor stilte en boosheid van anderen. Wie thuisgekomen is kan gastvrij zijn en gevoelens van anderen peilen en dragen. ‘Hé broer, vertel eens, wat heb jij in de afgelopen jaren gedaan, wat heb jij beleefd? Wie ben jij geworden?’ Waar ben jij op je pelgrimstocht? Het gesprek is een uitnodiging: Ga je mee verdwalen? Ik ken de weg. Gastvrijheid is het kenmerk van mensen die thuisgekomen zijn. Amen.

 

Bronnen:
Iris Hannema, Thuis best, in Trouw, zaterdag 26 augustus 2017
Christa Anbeek, Ada de Jong, De berg van de ziel. Persoonlijk essay over kwetsbaar leven.